Startpagina Fotogalerij   Info   Zoeken   Halle-Vilvoorde  
  Notities van mijn vader
  Nota's van mijn vader


ARREST HOF VAN BEROEP GENT: een kritisch essay

10.12.2007 07.45u - ENKELE KANTTEKENINGEN BIJ HET PROCES TEGEN HET VLAAMS BLOK

INLEIDING

Het Cassatiearrest van 9 november 2004 in de strafzaak tegen drie vzw’s van het Vlaams Blok voltooide een geding dat gedurende jaren de gemoederen heeft verhit.
Juridisch is het laatste woord gesproken. Maatschappelijk blijft er een haard van conflicten smeulen die bij de geringste aanwakkering weer kan ontbranden.
Want de definitieve veroordeling van het Vlaams Blok lost noch de problemen op, die door deze partij, volgens de rechters op strafbare wijze, werden aangekaart, noch maakt zij een einde aan een op het scherp van de snede gevoerde discussie over het prangende problemen die voortvloeien uit de immigratie en het multi-etnisch karakter van de samenleving.
Er zijn demografische, economische en sociale aanwijzingen dat deze problemen eerder toe- dan afnemen. Zal de political correctness, die haar vreemdelingenbeleid vooral op de bescherming van de allochtoon afgestemd wil zien, de koers blijven bepalen? Of nemen de traditionele partijen de waarschuwing ter harte van de eerste burger van het land, die vreest dat onze beschaving door een vloedgolf van migranten wordt weggespoeld?
Het Vlaams Belang heeft al laten weten dat men het programma van het veroordeelde Vlaams Blok onvoorwaardelijk trouw blijft, wat de dialoog niet bevordert.
Blijkt anderzijds aan de basis van de traditionele partijen dat het cordon sanitaire steeds minder aanhangers telt, dan blijven hun politieke leiders er zich hardnekkig aan vastklampen. Soms krijgt men de indruk dat zij zelf in hun schutskring opgesloten zitten, en zich enigszins radeloos afvragen hoe ze er zich zonder al te veel gezichtsverlies uit kunnen bevrijden.
Na de voorlopig laatste ‘zwarte zondag’, in 2004, vernam men uit de hoofdkwartieren schuchtere suggesties om over te gaan tot de ‘evaluatie’ van de snel-Belgwet. Net als de wet op het migrantenstemrecht is dit staaltje van ondoordacht en nefast beleid een doorn in het oog van de meerderheid der Vlamingen. De evaluatie bleef uit.
Hierbij dringt zich de vaststelling op dat enkel het Vlaams Blok zich radicaal heeft verzet tegen deze wetten die door de Waalse partijen werden opgedrongen.
Zal het Vlaams Belang, dat een kwart van de Vlamingen vertegenwoordigt, bij het beleid worden betrokken? Of worden de pogingen hervat om de partij door middel van een systematische haatcampagne te demoniseren? Het procédé heeft niet echt weerklank gevonden bij de bevolking, wat haar ‘progressieve’ tegenstanders na de éclatante verkiezingsoverwinning van de verketterde partij op 13 juni 2004, tot enige omzichtigheid heeft aangezet. Nog kon de man die geroepen was om aan te treden als Vlaams minister- president er zich niet van weerhouden de kiezers van het Blok als ‘criminelen of potentiële criminelen’ te bestempelen. Maar in de volgende weken sloeg men in het ‘weldenkende’ kamp een meer gematigde toon aan. Er scheen een ogenblik van bezinning te zijn ingetreden..
Men gaf hier en daar toe dat men - gedurende dertig jaar- een ontoereikend, of zelfs helemaal geen vreemdelingenbeleid heeft gevoerd. Deze openbare biecht mag gezien worden in het licht van de bekommering van de politici die dat beleid (niet) hebben gevoerd, om niet nog meer kiezers af te stoten. Zij hield immers de belofte in dat men voortaan beter naar ‘de mensen’ zou luisteren.
Of dit ooit werkelijk gebeurt of niet, feit is dat 13 juni de Belgische politieke wereld op zijn grondvesten heeft doen daveren. Het wankele evenwicht tussen de twee taalgemeenschappen dreigt onherroepelijk verstoord te raken.
De houding van de Waalse partijen, en in het bijzonder van de Parti Socialiste is voorspelbaar. Met haar volgehouden halsstarrigheid zal zich blijven verzetten tegen de splitsing van de sociale zekerheid. In het federale parlement zal zij proberen het Vlaams Belang financieel droog te leggen. Minister Onkelinx wijkt niet af van haar gewoonte om haar veto stellen tegen elk voorstel dat haar moslimvrienden zou kunnen mishagen.
Veel zal dus afhangen van het zelfrespect dat de Vlaamse bewindslieden en politici aan de dag weten te leggen. Daar is op federaal vlak vooralsnog weinig van te merken. Met name de VLD is, tegen de zin van een groot deel van haar kiezers bereid onder het Waalse juk te blijven doorlopen, teneinde haar portefeuilles te bewaren.
Indien degenen die eindelijk uit hun multiculturele droom zijn ontwaakt, deze rijkelijk verlate bewustwording ook willen omzetten in een coherent beleid, zullen zij het conflict met de PS moeten aangaan. Onder Verhofstadt II lijkt dit al even onwaarschijnlijk als onder Verhofstadt I. Zij zullen tevens het fundamentele debat moeten aangaan met het Vlaams Belang, waarvan de voorganger, zoals vertegenwoordigers van de ‘traditionele’ partijen vaak hebben herhaald, de juiste analyse maakte, maar de verkeerde oplossingen bood. Zijn zij dan van oordeel, zo zou men zich kunnen afvragen, dat de bewindslieden in landen als Nederland, Frankrijk, Denemarken of Noorwegen, waar men, net als het Vlaams Belang, paal en perk wil stellen aan de immigratie, eveneens verkeerd bezig zijn?
Of weten ze zich gewoon geen raad?
Uit de bekentenisliteratuur die na 13 juni 2004 in de media werd geventileerd blijkt dat zij beseffen dat zijzelf evenmin oplossingen te bieden hebben.
Deze beangstigende schaarste aan oplossingen zou, liefst ‘onverwijld’, verholpen moeten worden.
Of zal men het debat nog immer verstikken onder een taboe, of door een zwijgplicht verijdelen? De laatste term is ontleend aan een beschouwing van de hand van de politiek directeur van een onafhankelijk dagblad, gepubliceerd op 20 november 2004 onder
de titel ‘Vanwaar toch die fascinatie?’. Het voorwerp van deze fascinatie blijkt het Vlaams Blok te zijn. Fascinatie is betovering, en kan in dit geval het best worden uitgelegd als de verlamming van degene die de blik niet kan afwenden van het bewonderde of, zoals in dit geval, gevreesde object.
Aanstonds laat ik de heer Yves Desmet aan het woord: ‘Maar ook ter linkerzijde heeft men het Blok danig geholpen. Door jarenlang een omertà uit te spreken over de reële problemen die de multiculturele samenleving met zich brengt, door halsstarrig te blijven ontkennen dat er minder leuke mensen rondlopen in de migrantensamenleving, door steeds te minimaliseren en te bagatelliseren, door mensen met problemen makkelijkheidshalve dan maar direct tot halve of hele racist te verklaren heeft progressief Vlaanderen veel mensen naar de extreemrechtse hoek gejaagd, waar ze zich plots best thuis blijken te voelen.’
Een omertà verklaren door gemakzucht is wel heel vergezocht. Had de linkerzijde er dan geen bedoeling mee? Was het niet de ontelbare malen uitgesproken bedoeling het Vlaams Blok te verslaan, te elimineren? Had niet de trouwste bondgenoot van links, premier Verhofstadt, aan deze kruistocht zijn politieke lot verbonden?
Als biecht kon zijn ontboezeming tellen. Je zal maar lezer van De Morgen zijn. Jarenlang verzwijgt je krant onontbeerlijke informatie, jarenlang roept ze fascist en racist naar wie problemen heeft met de multiculturele samenleving, en, kan men hier er volledigheidshalve aan toevoegen, soms wringt ze de waarheid de nek om, teneinde haar ‘ethische’ boodschap kracht bij te zetten (zo werden de mandatarissen van het Vlaams Blok in het Europees Parlement, Philip Claeys en Koen Dillen, in haar kolommen aan de schandpaal genageld als hypocrieten en zakkenvullers die de records van het absenteïsme verpulveren, terwijl zij op de website van deze instelling in de ranglijst der aanwezigheden ter zitting staan aangemerkt al de nummers zes en zeven, met een score honderd procent) Op een mooie morgen blijkt dan de Heilige Geest over de politiek hoofdredacteur te zijn neergedaald en belijdt hij zijn zonden.
Dat hij door berouw werd verteerd is weinig waarschijnlijk. Veeleer ging het erom dat de herauten van de multiculturele samenleving besloten hadden hun verhaal iets beter af te stemmen op wat bij de bevolking leefde. Zo schoven de ‘weldenkende’ media na de verkiezingen van juni 2004 Bart Somers naar voren. Onder zijn bewind als burgemeester van Mechelen is het Vlaams Blok daar met voorsprong de grootste partij geworden. Hij weet dus waarover hij spreekt. Ziehier zijn analyse: ‘De Vlaming stemt voor het Vlaams Blok omdat de overheid het multiculturele vraagstuk heeft mismeesterd; Hij is het moe om beschuldigd te worden van alles wat misgaat bij de allochtonen, terwijl die allochtonen zelf bepamperd (sic) worden.’( De Morgen 11 oktober 2004)
Dat heet de vinger in de wonde leggen. De overheid heeft de toestand laten verzieken. De overheid, en niet de allochtoon, is de hoofdverantwoordelijke voor de toenemende samenlevingsproblemen. In dat opzicht heeft het Vlaams Blok zijn pijlen te vaak op het verkeerde doelwit gericht. Veel allochtonen zijn zelf slachtoffers van een beleid dat als een magneet horden vreemdelingen aantrekt, die van de westerse welvaart mee willen genieten, om ze vervolgens te dumpen in de armoewijken van de grootsteden.
Zo zijn er misstanden gegenereerd die nog nauwelijks te verhelpen zijn.
In de herfst van 2005 moet men vaststellen dat alweer een jaar verloren is gegaan.
Nu de islamisering van de grote steden onafwendbaar is geworden, nu blijkt dat de fundamentalistische terreurgroepen in de Lage Landen vaste voet aan de grond hebben gekregen, en sommige imams hun plan om de ongelovigen desnoods met harde hand te bekeren openlijk ontvouwen, nu het aantal der snel-Belgen blijft aanzwellen, en de mensensmokkelaars gouden zaken doen, nu er op deze wijze aan het al bestaande legioen van kansarmen ( de vijftigplussers meegerekend in totaal 1 miljoen werklozen waaronder een onevenredig groot percentage allochtonen) nog een subproletariaat van volslagen onaangepasten wordt toegevoegd, nu kortom het sociale weefsel van onze gemeenschap elke dag meer ontrafeld en verscheurd wordt, is een kordaat en coherent vreemdelingenbeleid de meest dringende politieke opdracht.
Het is wraakroepend zijn indien dergelijk beleid verder werd gedwarsboomd door alle misverstanden die in de loop der jaren omtrent het Vlaams Blok werden opgeroepen. De haatcampagne zal plaats moeten ruimen voor een harde maar eerlijke discussie, waarbij de ideologische vooringenomenheid zal moeten wijken voor pragmatische visie op een leefbare samenleving
In dit perspectief lijkt het onontbeerlijk dat alle partijen en hun kiezers zich een juist beeld vormen van de rechts- en feitelijke gronden waarop het Vlaams Blok is veroordeeld.
Hierover is er maar weinig klaarheid. De juridische commentaren – uiteraard bestemd voor een kleine groep – vallen uiteen in twee modellen. Het eerste model behelst niet veel meer dan de herhaling van een aantal consideransen van de verleden arresten. Een voorbeeld hiervan biedt het hoog aangeschreven Journal des Tribunaux. Een tweede model behelst wel een enigszins kritische benadering, maar waagt zich niet aan beschouwingen over de politieke en maatschappelijke context waarin de aanklacht tot stand kwam en de aangeklaagde feiten werden gepleegd.
In de niet-gespecialiseerde media trof men wel politiek geïnspireerde reacties pro of contra aan, maar geen grondige analyse, en zeker geen beoordeling waarin de interpretatie van de gewraakte feiten – die niets anders zijn dan teksten - telkens getoetst worden aan de dagelijkse realiteit die deze teksten inspireerde. De uitkomst laat zich raden: verder dan, aan de linkerzijde de eerder triomfantelijke vaststelling dat het Blok racistisch is – wat men jarenlang schreef, stond nu vast – of ter rechterzijde de verontwaardiging over de krenking van de vrijheid van meningsuiting komt men niet.
Daaruit volgt een nefaste onwetendheid, die elke verdere discussie over migratie, racisme en multiculturele samenleving vertroebelt.
Het moge vergund zijn nog eenmaal Yves Desmet te citeren. Drie dagen nadat het Hof van Beroep van Gent zijn arrest had geveld, uitte hij zijn ongenoegen over het feit dat ‘ conservatief Vlaanderen’ de kant kiest van het Vlaams Blok, over de ‘lafheid’ van Yves Leterme, die het arrest ‘inopportuun‘ vond – en over de terughoudendheid van Steve Stevaert en Guy Verhofstadt, die bedenktijd nodig hadden om zich uit te spreken. De fascinatie bleek de politici parten te spelen: ‘Als konijnen naar een lichtbak starend brengt nauwelijks een politicus nog de moed op om de onafhankelijkheid van de rechtbanken en de gegrondheid van dit vonnis te benadrukken.’ (De zinsnede hinkt vervaarlijk, - ‘nauwelijks een politicus’, is immers degene die juist niet ‘als konijnen naar een lichtbak’ staart - maar de teneur is duidelijk genoeg).
Desmet, onderstrepend dat hij het arrest had gelezen, achtte het dan ook zijn plicht, de gegrondheid ervan te bewijzen. Als volgt: ‘Natuurlijk mag je zeggen dat er Marokkaanse dieven zijn, of Belgische. Maar je mag niet zeggen dat alle Marokkanen dieven zijn.’
Desmet leest dingen die er niet staan. Uit geen enkele van de door het Hof weerhouden teksten blijkt dat het Vlaams Blok ooit zou hebben beweerd dat alle Marokkanen dieven zijn,
Wel stipt het Hof aan dat in de VB- publicaties meer dan eens het aandeel van de allochtonen in de criminaliteit wordt vermeld.
Dat cijfer, omvattende niet alleen het aantal diefstallen, maar alle misdrijven gepleegd door alle allochtonen, ligt om en bij veertig procent. Dit cijfer dat nergens wordt weerlegd.
Dat is een heel ander verhaal dan de dwaze kreet ‘Alle Marokkanen zijn dieven’. Met onjuiste informatie gericht op negatieve beeldvorming schiet niemand op. Juist in een debat over niets minder dan de toekomst van onze beschaving, die in toenemende mate afhangt van het vreemdelingenbeleid, is een helder inzicht vereist in alle elementen van het dossier. In dit dossier zijn de arresten die het Vlaams Blok veroordelen stukken van primordiaal belang.
Het is de bedoeling van dit essay enkele bemerkingen te formuleren en elementen aan te dragen die een kritische evaluatie mogelijk maken van de opvattingen over racisme, discriminatie, immigratie en multiculturele die in juridische en politieke kring leven.
Hierbij aansluitend wordt nagegaan hoe deze opvattingen hebben geleid tot een totale oorlog tegen het Vlaams Blok, eerst op wetgevend, vervolgens op gerechtelijk niveau.
Tenslotte worden de arresten getoetst aan de normen van een goede rechtsbedeling


OVER RACISME


De wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden is geen model van accurate wetgeving.
De titel roept al een aantal netelige vragen op.
Wat is racisme?
Vreemd genoeg wordt deze term in de wet niet nader gedefinieerd.
De rechtsonderhorige ziet zich dus genoopt de Van Dale te raadplegen.
Daar treft men twee definities aan: 1° opvatting dat het ene ras superieur is aan het andere en, daaruit voortvloeiend, dat ten aanzien van het ene ras andere maatstaven kunnen (mogen) worden aangelegd dan ten aanzien van het andere, syn. rassenwaan 2° discriminatie op grond van het ras.
Een rassentheorie zoals omschreven onder 1° en geijkt op het arisch syndroom van de nazi’s, wordt nog slechts door een paar zonderlingen verkondigd. Wel hoort men, en niet door de minsten, de culturele superioriteit van het Westen verkondigen. Silvio Berlusconi, Frits Bolkestein en Patrick Dewael vertolkten deze mening, en ook de toonaangevende ethicus Etienne Vermeersch vertrouwde aan het weekblad Humo toe dat de Islam een achterlijke cultuur is.
Neen, het gaat in de antiracismewet om definitie 2°, discriminatie wegens het ras, de huidskleur, de afkomst of de nationale of etnische afstamming.
Ras is volgens het woordenboek 1° een groep van mensen of dieren die gekenmerkt wordt door vaste erfelijke eigenschappen en 2° een groep van mensen of van dieren die zich volgens andere dan strikt biologische criteria gezamenlijk onderscheiden van andere exemplaren van hun soort; - etnologisch gekenmerkte groep van mensen.
Wat de definitie onder 1° betreft hebben genetici zoals de marxist Lewontin dertig jaar geleden al geponeerd dat de term elke wetenschappelijke grond ontbeert. De gemiddelde genetische variatie tussen rassen of ondersoorten (subspecies) was geringer, zo poneerden zij, dan de variaties binnen een specifiek ras. Deze stelling die wetenschappelijk niet kon onderbouwd worden omdat de kennis van het menselijke genoom nog te summier was, wekte wel verbazing. Was het verschil tussen en Chinees en een Bantoe dan geringer dan het verschil tussen twee Chinezen?
Toen omtrent de eeuwwisseling het menselijk genoom in kaart werd gebracht, ontstond meer duidelijkheid. Uiterlijke kenmerken, zoals de huidskleur, en de vorm van schedel, neus en lippen, die bij de indeling in rassen in aanmerking werden genomen, bleken door slechts een gering aantal genen te worden bepaald. In de huidige stand van de wetenschap gaat men ervan uitgaan dat slechts zeven tot tien procent van het menselijk genetisch materiaal specifiek bij een bepaalde groep voorkomt. Dat lijkt weinig. Maar het is heel veel. Het menselijk genoom
is voor 98,5% identiek aan dat van de chimpansee. .
De conclusie dat de term ‘ras’ uit biologisch oogpunt weinig of geen betekenis heef, lijkt niet
Te berusten op onomstotelijk bewijs..
Wanneer men definitie 1° verwerpt en definitie 2° hanteert, doet zich een nieuwe moeilijkheid voor. Welke andere dan strikt biologische criteria dient men in acht te nemen om van een ras te kunnen gewagen? De levenswijze van een groep, zijn geografische vestiging, cultuur, of godsdienst? Ras wordt dan een sociale constructie, opgebouwd uit heterogene elementen, waarbij overigens ook die zeven tot tien procent genetische variatie beter niet uit het oog verloren wordt, daar de mensheid nog steeds behept is met de neiging om een individu volgens zijn fysionomie te catalogeren.
Zo heeft elkeen wel zijn eigen opvatting. Duidelijkheid is ver te zoeken.
Nochtans vormt de term ras het sluitstuk is van een indrukwekkend arsenaal van internationale verdragen en daaraan conforme nationale strafwetten. De stellers van al deze teksten hebben niet goed nagedacht over wat ze met zoveel stelligheid neerschreven. Immers hoe kan men racisme strafbaar stellen als men niet precies weet wat een ras is,
Begin deze eeuw wist de Belgische regering het ook niet meer.
De logische gevolgtrekking zou geweest zijn, de termen ras en racisme uit de wet te schrappen.
Dat gebeurde niet. Integendeel, de wet van 20 januari 2003 ‘tot versterking van de wetgeving tegen het racisme’ voerde de term ‘een zogenaamd ras’ in.
De wijziging werd als volgt gemotiveerd: ‘ De genetische en biologische studies hebben aangetoond dat de mensheid niet in rassen opgesplitst kan worden. Het geloof daarentegen, dat er verschillende menselijke rassen bestaan, voedt in zekere mate de racistische ideologieën.’ (Men noteert dat dit geloof werd aangehangen door de Belgische wetgever in 1981, zowel als door de opstellers van internationale verdragen, als door eenieder die een woordenboek raadpleegde.)
De memorie van toelichting concludeert:
‘Daarom opteren wij voor het toevoegen van het adjectief ‘zogenaamd’ om erop te duiden dat dit onderscheid enkel bestaat in de geest van de racist en dus niet met de werkelijkheid overeenstemt’
Dit is een onnodige complicatie. De racist zou dus degene zijn die ten onrechte denkt dat er rassen bestaan. Een strafrechter van wie men vergt dat hij uitmaakt wat mensen denken, staat voor een netelige opgave.
Men zal opmerken dat het woord ras in de volksmond wel degelijk een betekenis heeft. Het rassenonderscheid wordt dan – zoals eerder aangestipt - bepaald door uiterlijke kenmerken, zoals huidskleur, vorm van neus en schedel, en lichaamslengte. Huidskleur staat in de wet.
Een ‘zogenaamde’ grond voor een misdrijf inschrijven in de wet, is niet echt een waarborg van rechtszekerheid.
Waarom werd de term ras dan toch behouden?
Ongetwijfeld omwille van de symboolwaarde. Op grond van racistische theorieën werden tijdens de Tweede Wereldoorlog de afschuwelijkste misdaden begaan.
Anno 2003, toen het ‘zogenaamd ras’ het levenslicht zag, was de kans op een herhaling van een dergelijk scenario onbestaande, zowel in het koninkrijk België, als in de andere West-Europese landen. Maar het Vlaams Blok bestond nog steeds. Haalde men de term racisme uit de wet, dan verdween meteen de kans om deze partij als een verzameling racisten te stigmatiseren, en ze tegen de achtergrond van de Holocaust te projecteren als nazi’s en fascisten.
Vanwaar deze schuimbekkende campagne tegen een partij, die net als elke andere democratische formatie wars is van geweld, en tegen dewelke men, na anderhalf decennium van onverpoosde observatie van elk woord en elk gebaar van de vertegenwoordigers en leden van de gehate partij, en van geduldig wroeten in de archieven, zelfs nog geen aanklacht wegens ‘aanzetting tot geweld’ kan formuleren en die men enkel het bijna niet aan te tonen misdrijf van ‘ aanzetting tot haat’ kon aanwrijven?
Na de val van de muur en het débacle van het collectivisme is het antiracisme het laatste ideologische strijdros van de linkse krachten in het Westen. In de steek gelaten door hun proletarische achterban hebben socialisten, groenen, en voormalige epigonen van Stalin, Mao of Trotzky het subproletariaat van de Derde Wereld ontdekt, als nieuwe focus voor hun
humanitaire, overigens geheel retorische aanvechtingen, en vooral, als een potentieel vervangend electoraat.
Werd België in 2003 dan zozeer door ‘zogenaamd racisme’ geteisterd dat de wetgever wel moest ingrijpen?
De lectuur van de memorie van toelichting, in de Kamer voorgedragen door Minister Onkelinx bij het wetsontwerp ‘ter versterking van de wetgeving tegen het racisme‘ is verhelderend. Wij lezen dat tussen 1981 en 1989 1266 klachten werden ingediend op basis op basis van de wet van 30 juli 1981. 987 klachten werden zonder gevolg werden geklasseerd. 43 dossiers werden aanhangig gemaakt bij de rechter, en uiteindelijk werden 16 veroordelingen uitgesproken. Nog geen twee veroordelingen per jaar dus. In 1998 werden, tot kennelijke voldoening van de stellers van het wetsontwerp niet minder dan elf gerechtelijke procedures ‘afgerond’ Of er een veroordeling dan wel een vrijspraak werd uitgesproken, verzuimden de indieners te vermelden.
Interessant is ook de opsomming van enkele misdrijven die werden beteugeld. Iemand had ‘rotturk’ geroepen naar een ander persoon, vermoedelijk een Turk; een verdachte met andere antipathieën had ‘vuile jood’ gezegd. Het Hof van Beroep van Luik verordende dat het gebruik van de term ‘neger’ strafbaar is, terwijl de correctionele rechter te Brussel oordeelde dat het gebruik van het Franstalige equivalent ‘bougnoule’ niet als uiting van rassenhaat kan worden aangemerkt. Ook de café-uitbater die geweigerd had Marokkanen te bedienen, passeerde de revue.
In het jaarverslag 2004 van het Centrum voor Gelijke Kansen en Racisme lezen we dat in de periode 1981-2003 door de hoven en rechtbanken welgeteld 168 uitspraken zijn geveld op basis van de racismewet. Dat zijn 7,4 uitspraken per jaar! Niet zelden gaat het om burenruzies en cafétwisten, feiten die niet eens tot vervolging aanleiding zouden gegeven hebben, indien er geen allochtonen bij betrokken waren geweest.
De conclusie dringt zich op dat het gevaar van al dan niet zogenaamd racisme eerder denkbeeldig dan reëel was, en dat er geen aanleiding was om de wetgeving te verscherpen.
Eigenaardig genoeg vonden de ondertekenaars van het wetsontwerp geen soelaas in de vaststelling dat de Belg zich zo zelden haatdragend opstelde tegenover de allochtoon, noch in de geringe zwaarwichtigheid der feiten.
Integendeel, zij betreurden ‘dat te weinig veroordelingen, gesteund op de antiracismewet, werden uitgesproken, in verhouding tot het aantal ingediende klachten.’
Een raadselachtige, maar ook leerrijke passage. Raadselachtig omdat men zich afvraagt wat de stellers bedoelen. Willen ze zeggen dat de parketten ten onrechte klachten hebben geseponeerd? Of zijn de rechters in gebreke gebleven? Dat schijnen Verhofstadt, Onkelinx en co. althans te suggereren. Het komt integendeel niet bij hen op te veronderstellen dat de meeste klachten gewoon ongegrond waren. Een politieagent die ‘jongeren’ aanhoudt, of een buschauffeur die de euvele moed opbrengt te eisen dat zij een vervoersdocument vertonen, loopt de kans door hen als ‘racist’ te worden uitgekreten. Racisme is het alibi en het verweermiddel van straatcrimineeltjes geworden.

Hoe dan ook, er moest meer gestraft worden. Brandmerken, beschimpen, beledigen, schofferen, sanctioneren, straffen, het zijn de wapens van de adepten van het Grote Gelijk.
Het alreeds overbelaste en met personeelsgebrek kampende gerecht moet zich derhalve zo nodig bezighouden met straatruzies en andere beuzelarijen. Waarom toch? Vanwaar die obsessie met beledigingen en ander onheus taalgebruik, een obsessie zo machtig dat ze herhaalde wetswijzigingen inspireert.
Is het gewaagd te veronderstellen dat men ook in de toekomst het bewijs wil kunnen leveren van een afkeurenswaardige racistische stroming, aangewakkerd door wie anders dan het Vlaams Blok? Moest de term racist in de wet ingeschreven blijven., zodat men de partij, haar opvolgster, en al degenen die zich verzetten tegen het rampzalige vreemdelingenbeleid verder om hun meningen kan vervolgen?
Er is, het moet gezegd, werk aan de winkel voor het Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van het racisme (CGKR) en de Liga voor Mensenrechten. Sedert 9 november 2004, de dag waarop de veroordeling van het Blok definitief werd, telt Vlaanderen officieel 984.000 ‘racisten’, of volgens Leterme ‘criminelen en potentiële criminelen’.Stemmen voor deze partij betekent immers het verlenen van medewerking aan een groep of vereniging die – althans volgens het Hof van Beroep van Gent -discriminatie verkondigt. De aard van de medewerking is volgens het Hof van Beroep niet relevant. Het volstaat dat zij ertoe strekt het voortbestaan of het functioneren van, van de groep of vereniging mogelijk te maken. Dat hebben de Blokkiezers ontegensprekelijk gedaan. Hun stemmen hebben de partij een aantal zetels in het parlement, en de daaraan verbonden levensnoodzakelijke dotaties opgeleverd. A fortiori geldt deze redenering voor de leden van de partij, die haar door hun financiële bijdrage steunen.
Het criminaliseren van een kwart van de Vlaamse bevolking is een van de vele bizarre consequenties van een ongerijmd arrest. Logisch doordenkend ontkomt men niet aan de
bizarre conclusie dat het Gentse arrest de vrijheid van vereniging opheft ten aanzien van de leden en de kiezers van het Vlaams Blok.

WETGEVING OP MAAT

De lawine van wetgeving in zake racisme, die vanaf het begin der jaren negentig werd ontketend, en die uitmondde in het proces aangespannen door de Liga voor Mensenrechten en CGKR, zwol aan naarmate het Vlaams Blok meer electorale successen boekt. Het racisme was het alibi en het politiek verweermiddel geworden van de zich met nadruk als ‘democratisch‘ aandienende partijen. Niet dat iemand ooit hun democratisch gehalte in twijfel had getrokken. Het was er hen om te doen het Blok via de aantijging van racisme als ondemocratisch te isoleren en te elimineren. Geen middel bleef onbeproefd. De Groenen, van wie De Standaard in 2004 de extreemlinkse aard heeft ontdekt, vonden het cordon sanitaire uit. Het ‘correcte’ segment van het politieke spectrum, aangevoerd door de Parti Socialiste, ruimde één voor één alle wettelijke obstakels uit de weg die vooralsnog verhinderden het Blok te laten veroordelen. De PS voelde immers de hete adem van het Blok in de nek, vanaf het ogenblik dat deze Vlaamse Partij in Brussel stemmen begon te werven en te winnen. De Waalse socialisten, die er door gewezen minister van Justitie Van Parijs van beticht werden stemmen te ronselen in en rond de moskeeën, kunnen zich dank zij de regularisatie van illegalen, de invoering van het migrantenstemrecht en de snel-Belgwet opwerpen als voorvechter van de allochtonen, waarvan een stijgend aantal (34.000 in de eerste zes maanden van 2004) een Belgisch paspoort krijgt aangereikt. Men moet al erg naïef en wereldvreemd zijn om politici als barmhartige Samaritanen en onbaatzuchtige wereldverbeteraars te beschouwen. Zij vechten voor hun eigen apenrots.
In België creëren wetten nieuwe kiezers. Ze kunnen, omgekeerd, ook worden ingevoerd om kiezers af te schrikken, en omgesmeed tot wapens tegen de politieke opponent. Men hee. Z ft slechts een meerderheid in het Parlement nodig. Nu, die meerderheid was gauw gevonden. De gestage opgang van het Blok boezemde alle andere partijen onrust, angst en weldra radeloosheid in. De ‘weldenkende’ media konden het tij niet keren. Deze tegenstander bleek immuun voor scheldkanonnades, schutskringen en haatcampagnes.
Vanaf de eerste Zwarte Zondag, in 1991, moet het plan zijn ontkiemd om de politieke vete niet in het parlement, niet in het openbaar debat, maar door de rechterlijke macht te laten beslechten. Algauw ontstond een koortsachtige wetgevende activiteit. In het parlement zou men de instrumenten vervaardigen die de rechters moesten toelaten de luis in de pels dood te drukken.
Eerst werd de wet van 15 februari 1993 gestemd, waarbij het CGKR, een van de latere klagers tegen het Vlaams Blok, werd opgericht. Dit orgaan heeft ruime bevoegdhedeno verstrekt het ‘vorming aan magistraten’. Zijn de magistraten dan niet behoorlijk opgeleid? Niet, zo blijkt uit de opdracht van het CGKR, als het om racismebestrijding en…om de ontkenning van de Holocaust gaat, een materie die gemiddeld een keer om de vijf jaar in de rechtbank opduikt.. De meeste magistraten hebben wel wat anders aan het hoofd, bijvoorbeeld hoe ze kunnen beletten dat tienduizend verdachten door verjaring aan berechting ontsnappen. Of hoe ze de golf van diefstallen en inbraken het hoofd kunnen bieden. Voor de haarkloverijen van de professionele antiracisten hebben ze weinig tijd over. Dus moet hun kennis worden bijgespijkerd en hun ijver aangewakkerd. Er moet voortvarender worden gereageerd worden op misdadige activiteiten zoals ‘pesterij en ruzie’, volgens het jaarverslag 2003 ‘de meest aangehaalde reden om bij het Centrum klacht neer te leggen.’
Onder de titel ‘Belangrijke rechtspraak’ wordt in hetzelfde jaarverslag als eerste prestatie van het Centrum haar tussenkomst bij de Vlaamse Geschillenraad voor Radio en Televisie
opgevoerd, naar aanleiding van een reportage over een tenniswedstrijd. De presentatoren waren ‘ bijzonder scherp uitgevallen naar de zussen Williams’.O heremijntijd, welk een afschuwelijk vergrijp. Gelukkig vonden de zussen, hoewel zich ongetwijfeld van geen kwaad bewust, nobele beschermheren bij het CGKR, dat niet rustte tot de schuldige presentatoren een blaam hadden gekregen.
Beuzelarijen, haarkloverijen, werk aan de winkel voor niet minder dan honderd rechtstreeks onder de eerste minister ressorterende bureaucraten, die moeten waken over het correcte taalgebruik van de autochtoon. ’t Is een aartsmoeilijke opdracht. Eerst moet men de bokken van de schapen scheiden. Wie zijn politieke tegenstrever racist, xenofoob of fascist noemt, maakt zich niet schuldig aan discriminatie noch aan het zaaien van haat. Hij spreekt een politiek correct banvloek uit, dat elk debat overbodig maakt. Hij dient niet wegens vulgariteit gelaakt, maar om zijn nobele inborst geprezen. Wordt hij immers niet gedreven door de ambitie, de onverdraagzaamheid te bestrijden? Bovendien zijn het mensen van ‘ het eigen volk’ die aldus bejegend worden, en die moeten liefst geen lange tenen hebben. De allochtoon echter, vooral in de moslimvariant, verdient bijzondere bescherming. Wie ook maar iets durft te beweren of neer te schrijven wat hem, of zijn schare van beschermengelen mishaagt, wordt door het zichzelf als onafhankelijk presenterende CGKR voor de strafrechter gesleept.
Onafhankelijk? Wat een gotspe. Het CGKR hangt een onverbloemd multiculturalistische ideologie aan. In het jaarverslag 2004 lezen we dat het Centrum ernaar streeft ‘integratie naar diversiteit’ te evalueren. Een verbazende belijdenis..Integratie wordt door het aanwakkeren van diversiteit immers alleen maar gedwarsboomd. Maar vooral, hier wordt een politiek standpunt verkondigd. Het is niet de eerste en niet de laatste keer. In hetzelfde jaarverslag waarschuwt het onafhankelijke instituut tegen ‘onvoorzichtige uitspraken over bij voorbeeld gezinshereniging.’ Die zijn immers ‘koren op de molen van xenofobe en racistische groeperingen.’
Wie niet als xenofoob aan de schandpaal wil gespijkerd worden, doet er best het zwijgen toe, ook al was het anno 2004 al lang zonneklaar dat er op grote schaal misbruik wordt gemaakt van het recht op gezinshereniging, en dat het principe zelf dringend aan een kritische evaluatie toe is. Dat is het Centrum ten voeten uit: noch min noch meer een gedachtepolitie.

Eens het CGKR als vervolgingsorgaan was geïnstalleerd, werden de wettelijke wapens vervaardigd die nodig waren om het optimaal te laten functioneren.
De racismewet van 30 juli 1981 werd diverse keren aangescherpt. Bijzondere aandacht vergt het artikel 3 dat in 1994 zo werd gewijzigd dat het voortaan ook het behoren tot een groep of vereniging die discriminatie verkondigt, strafbaar stelt. Welke groep of vereniging had men in het vizier? In 1994 was er in het land één vereniging die zich heftig verzette tegen het vreemdelingenbeleid van de regering en de daaruit voortvloeiende wantoestanden: het Vlaams Blok.
Die partij kon echter niet vervolgd worden. Een politieke partij beschikt immers niet over rechtspersoonlijkheid. De gedachte achter deze tot dat ogenblik altijd gerespecteerde regel was dat politieke processen beter vermeden worden. In een democratie vormt het kiezerskorps, en niet de rechterlijke macht, de vierschaar waar politieke geschillen beslecht worden, Door degenen te vervolgen die op enige wijze hun medewerking verlenen aan het Vlaams Blok of er deel van uitmaken, kon men deze klip omzeilen.
Evenwel, wie zou men vervolgen? Aangezien het misdrijf van medewerking aan het verkondigen aan discriminatie slechts door middel van de drukpers tot stand kan komen, lag het voor de hand de auteurs, drukkers of uitgevers van de gewraakte teksten te vervolgen.. Dan zou echter artikel 150 van de Grondwet spelen, die het drukpersmisdrijf naar het Assisenhof verwijst. Dat is een omslachtige procedure met een onzekere uitkomst. Daarom worden drukpersmisdrijven allang niet meer vervolgd.
De methode om dit obstakel te verwijderen, was gauw gevonden: men wijzigde gewoon de Grondwet. Dat gebeurde bij de wet van 7 mei 1999. De bevoegdheid van het Hof van Assisen in zake drukpersmisdrijven werd opgeheven, enkel en alleen in zaken ‘ingegeven door racisme’.
Zo kon men de schuldige auteurs, drukkers of uitgevers alsnog dagvaarden. Het gebeurde niet. Men had geen aandacht voor het kleine grut. De veroordeling van de hoofdredacteur of de verantwoordelijke uitgever van De Veujvechter, of van een scribent uit Erpe-Mere, beantwoordde niet echt aan het beoogde doel. Eén ‘bepaalde groep of vereniging’ wekte meer belangstelling. En zo werd op 4 mei 1999 het sluitstuk van de hele constructie aangebracht. Het artikel 5 van het Strafwetboek over de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen, dat in 1934 werd afgeschaft, werd opnieuw ingevoerd. Werd het land plotseling bedreigd door een meute van criminele rechtspersonen?
Quasi gelijktijdig werden dus twee krachtige ingrepen in ons rechtsbestel doorgevoerd. De bekommering om politieke controverses buiten de rechtbank te houden, die spoort met het principe van de scheiding van machten, leek plotseling voorbijgestreefd. En het beginsel van de straffeloosheid van rechtspersonen, gesteund op het individuele karakter van misdrijven, werd na meer dan anderhalve eeuw goede dienst hier te lande, naar de schroothoop der geschiedenis verwezen. Het was nochtans een eerbiedwaardig principe, vervat in het Romeinse adagium societas delinquere non potest, dat in de Belgische rechtspraak met het oog op de financiële gevolgen van het misdrijf werd omgevormd tot societas delinquere potest, sed puniri non potest: een vereniging kan wel een strafbaar feit plegen, maar kan niet strafrechtelijk veroordeeld worden.
Het Vlaams Blok is geen rechtspersoon. De vzw’s van de partij zijn dat wel. Zij konden dank zij de nieuwe wetsbepaling schuldig bevonden en gestraft worden.
Hier betreden we het terrein van de fictie. De vzw’s zijn opgericht om de dotaties van de overheid in ontvangst te nemen en te beheren. Zij zijn de schatbewaarders van de partij. Zij vormen, samen met bijvoorbeeld het secretariaat of de studiedienst, een integrerend deel van de partij. Zij worden bestuurd door de heren Frank Van Hecke en Filip Dewinter, resp. voorzitter en fractieleider van het Vlaams Blok, die dus, in de termen van de wet, ‘behoren’ tot zichzelf, en aan zichzelf ‘medewerking verlenen.’
De vzw’s vervolgen wanneer men de partij viseert komt erop neer een boekhouder aansprakelijk te stellen voor vergrijpen begaan door het bedrijf dat hem tewerkstelt, terwijl hem zelf geen fout kan worden aangewreven.
Het moge duidelijk wezen: Het Vlaams Blok stond in het parlement al terecht. Het Vlaams Blok moest veroordeeld worden..En van zulk een veroordeling werd een heilzaam effect verwacht, zeker als ze uitgesproken werd in volle verkiezingscampagne. Zou het Vlaams Blok hieraan ten onder gaan? Dat was maar zeer de vraag.
Voor alle zekerheid had men dus in het parlementaire wonderjaar 1999 ook nog de wet op de financiering van politieke partijen gewijzigd. Voortaan kon de dotatie worden ingetrokken van een politieke partij die aantoont dat ze vijandig staat tegenover de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Wie ervan uitgaat dat allochtonen alleen maar rechten hebben en geen plichten, komt algauw tot de conclusie dat een partij die dat principe bestrijdt de democratische rechten met voeten treedt.
Hier is geen twijfel mogelijk: enkel het Vlaams Blok werd door deze wet geviseerd. Alle andere partijen liepen braaf in het politiek correcte spoor, uitgetekend door de Parti Socialiste.
Bovenstaand relaas gaat uit van het onderliggende vermoeden van een exclusief tegen het Vlaams Blok gerichte wetgevende campagne. Dat vermoeden is, wat de wet op de dotaties betreft, onweerlegbaar.
Ook voor het opnieuw invoeren van de strafbaarheid van rechtspersonen kan men bezwaarlijk een ander motief aantonen. Wat de andere wetswijzigingen betreft kan het vermoeden niet bewezen worden dan door circumstancial evidence, betekenisvolle aanwijzingen.
Er is de chronologie: pas nadat het Vlaams Blok begon aan zijn steile opmars ontstond de behoefte om door middel van noeste wetgevende arbeid het racisme te bestrijden. De activiteit werd bijkans hectisch in 1999 wanneer het Vlaams Blok zich in Brussel opwierp als de sterkste Vlaamse partij.
Er is de vraag van de bedoeling van deze opeenvolgende, en bij elkaar aansluitende wetten en wetswijzigingen. Wie werd door de antiracismewet geviseerd?
Het racisme bleek in de periode tussen 1981 toen die wet in werking trad en 1993, toen het CGKR werd opgericht niet zo virulent dat de wetgever er wakker moest van liggen. . Ook tussen 1993 en 1998 viel het echt wel mee, als we ten minste een onverdachte bron als mevrouw Onkelinx mogen geloven ( cfr supra haar klacht over het geringe aantal veroordelingen).
Racistische individuen waren kennelijk veel minder talrijk dan bijvoorbeeld handtassendieven of inbrekers. En van de enkele gevallen die door de rechtbanken werden beteugeld kan men onmogelijk beweren dat ze de openbare orde of veiligheid zozeer aantastten dat nieuwe strafbepalingen onontbeerlijk waren geworden.
Aan wetgeving op maat bleek, althans bij de traditionele partijen, pas een behoefte te ontstaan op het ogenblik dat hun electorale belangen werden bedreigd.

POLITIEK MISDRIJF

Achteraf bekeken is het opmerkelijk hoe sommige commentatoren nog steeds met de scheiding van machten blijven schermen. Men legt een waterdicht schot aan tussen het strafrechtelijke verdict enerzijds, en de politieke en maatschappelijke oorzaken en gevolgen van dit verdict anderzijds.
Let wel, de scheiding der machten is een kostbare verworvenheid. En tot bewijs van het tegendeel moet men uitgaan van de integriteit en onafhankelijkheid van de magistratuur.
Het principe houdt echter niet in dat haar vonnissen en arresten niet organisch verweven zijn met de dagelijkse realiteit.
‘Het Vlaams Blok wordt in zijn werking en financiering door dit arrest niets in de weg gelegd’, stelt D. Voorhoof in De Juristenkrant. Het Vlaams Blok heeft een misdrijf gepleegd, en is daarvoor beboet, en verder is er niets aan de hand. Dat is de redenering van Voorhoof, lid van de Liga voor Mensenrechten. We weten dat de Justitie een blinddoek draagt, maar een professor in de communicatiewetenschappen met een blinddoek is een nieuw fenomeen.
Het directe gevolg van de veroordeling is dat de partij wel degelijk in haar werking en financiering wordt getroffen, of kan getroffen worden. Zij zag zich al genoopt tot het oprichten van het Vlaams Belang, wat een financiële aderlating betekende. Zij zal in het federale parlement worden geconfronteerd met een aanval op haar dotatie. En als het van de PS afhangt wordt er ook nog eens een wet gestemd die moet toelaten haar vertegenwoordigers van hun politieke rechten te beroven.
Indien men de veroordeling niet als een soort Fremdkörper uit haar politieke voorgeschiedenis licht, ontkomt men niet aan deze vaststelling: het proces tegen het Vlaams Blok was, zoniet de jure, in elk geval de facto een politiek proces. Dat heeft zelfs de toenmalige voorzitter van een van de dagende partijen, de Liga voor mensenrechten, Paul Pataer aan de vooravond van de dagvaarding volmondig toegegeven. Het geding was, zo verklaarde hij, aangespannen met het doel eens en voorgoed met het Vlaams Blok af te rekenen. En hebben de voorzitters van CD&V en VLD in een helder moment tijdens het televisiedebat op de avond van de wetgevende verkiezingen van mei 2003 niet verklaard dat het debat met het Vlaams Blok niet in de rechtbanken maar in het parlement moest worden gevoerd?
Om dieper te kunnen ingaan op de kwestie is het nuttig de diverse arresten onder de loep te nemen.
Aanvankelijk hebben twee Brussels rechtsinstanties, de correctionele rechtbank en het Hof van Beroep geoordeeld dat er sprake was van een politiek proces; Het arrest van het Hof van Beroep werd later weliswaar verbroken door het Hof van Cassatie, maar ligt hier al geen aanwijzing voor dat de vraag naar de politieke aard van het misdrijf een heel delicate is?
De rechters moeten zich voegen naar de definitie die het Hof van Cassatie sedert decennia hanteert, namelijk dat enkel een misdrijf dat de instellingen van de staat aantast, een politiek misdrijf is. Dat is kennelijk geen eenvoudige opdracht. Het Hof van Beroep van Brussel oordeelde dat de instellingen worden aangetast door de loutere deelname aan de verkiezingen van een politieke partij die afhankelijk is van het plegen van strafbare feiten door ondersteunende organisaties. Dajo De Prins, assistent aan de UFSIA en de KUB sloot zich bij deze zienswijze aan: ‘Minstens onrechtstreeks gaat het hier dus om de strafrechtelijke beoordeling van het programma van een politieke oppositiepartij, van haar mening over de richting waarin de maatschappij zich zou moeten ontwikkelen. Dit lijkt bij uitstek het type situatie waarin de grondwetgever alleen de volksjury geschikt achtte om een oordeel uit te spreken over de vraag of de grondwet geschonden was.’ (Nieuw Juridisch Weekblad, nummer 25 van 19 maart 2003)
Het Hof van Cassatie verbrak het arrest van het Brusselse Hof in 2003, en verwierp de thesis van het politiek misdrijf een tweede maal in haar definitief arrest van 9 november 2004. Er was, zo oordeelde het hoogste rechtscollege, geen rechtstreeks verband tussen het ten laste gelegde misdrijf zelf – het louter behoren tot het Vlaams Blok – en de eventuele aantasting van de instellingen. Met andere woorden, het zijn de vzw’s die terecht staan, en zij worden zelf niet beticht van discriminatie of segregatie, zodat niet staande kan gehouden worden dat hun vergrijp de instellingen zou aantasten.
Het is een mogelijke interpretatie, en in elk geval heeft ze gezag van gewijsde: geen rechter kan haar nog wijzigen..
Een argwanende persoon zou kunnen besluiten dat de truc met de vzw’s zijn uitwerking niet heeft gemist. In eerste instantie liet hij toe het Vlaams Blok voor de rechter te dagen. In tweede instantie wordt de opvatting dat er geen sprake is van een politiek misdrijf geschraagd op het feit dat het Vlaams Blok zelf geen partij is in het geding.
Het is hier niet de bedoeling hier alle juridische finesses en spitsvondigheden te bespreken die het debat hebben gekruid.
Het concept ‘aantasting van de staatsinstellingen’ biedt wel een steunpunt waarvan men kan uitgaan om het proces in feite kan omschrijven. En wel door de rollen om te keren, en vast te stellen dat het in feite de klagers zijn die met hun aanklacht de staatsinstellingen dreigen aan te tasten. Zij slepen een politieke partij voor de rechter met het uitgesproken doel haar te vernietigen. De aantijgingen zijn gesteund op de politieke propaganda die deze partij voert en de wetsvoorstellen die zij indient. Zij ontplooit deze activiteiten omdat de kiezer, in de uitoefening van zijn politieke rechten, haar een mandaat heeft verstrekt op basis van haar programma. Het verhinderen van het uitoefenen van dat mandaat, door bijvoorbeeld de financiële drooglegging van de partij, een van de mogelijke rechtstreekse gevolgen van de veroordeling, is een aantasting van de politieke rechten van de burger, en een ontwrichting van de parlementaire democratie, aangezien het gevaar dan dreigt dat honderdduizenden kiezers niet langer in de wetgevende organen zouden vertegenwoordigd zijn.
Dit is slechts een ‘thought experiment’ dat juridisch niet toepasselijk is, maar dat mijns inziens wel aantoont dat voor de vierschaar van het gezond verstand moet blijken dat
men dit proces, dat de democratie ontregelt, nooit had mogen voeren.
Eigenaardig genoeg lijkt het Hof van Beroep van Gent niet ongevoelig te zijn geweest voor het uitgesproken politieke karakter van het geding: ‘De strafbaarstelling van leden of medewerkers van de groep of vereniging is immers van aard het verder bestaan of de verdere werking van de groep of vereniging op de helling te stellen, in de mate althans dat de groep of vereniging verder kennelijk en herhaaldelijk discriminatie of segregatie verkondigt.’ Het Vlaams Blok staat voor de keuze: zijn programma opgeven, of opnieuw vervolgd worden. Duidelijker kan niet gesteld worden dat het doel van de vervolging de bestrijding van een politieke partij is.
Het Hof verkondigt verder dat ‘(…) de aantasting van de politieke instellingen , inzonderheid de politieke rechten van de burgers in de ruime betekenis van het begrip, zich desgevallend slechts zou kunnen verwezenlijken nadat de groep of vereniging, door het inspelen op de bij bepaalde delen van de bevolking bestaande al dan niet latente gevoelens van xenofobie en een hieraan te danken overweldigende verkiezingsuitslag, haar programmapunten in werkelijkheid zou kunnen omzetten (…)’
Stel dat het Vlaams Blok bij de federale verkiezingen van 2007 in Vlaanderen dertig procent van de stemmen haalt, wat door iedereen gewis als ‘overweldigend’ zou worden ervaren. Stel dat zij in een coalitie stapt, welke regering dan een aantal van haar programmapunten realiseert, zoals het afschaffen van het migrantenstemrecht en de snel-Belgwet, of het beteugelen van de misbruiken in zake gezinshereniging, Zou zij dan de politieke instellingen aantasten, terwijl de wetsvoorstellen die zij ter zake had ingediend, en die volgens het Hof van Beroep de aantasting mogelijk maken, dat niet doen?
Een politiek proces? Wel degelijk. En niet allen in hoofde van de dagende partijen.
Het Hof van Beroep van Gent heeft niet kunnen weerstaan aan de drang om in zijn arrest enkele vooroordelen te ventileren. Een eventuele overwinning van het tot Vlaams Belang herdoopte Vlaams Blok bij een komende stembusgang wordt in het arrest geduid als het gevolg van ‘al dan niet latente gevoelens van xenofobie.’ Het Hof neemt hier simpelweg de- niet zelden als ‘sociologie’ verpakte- slogantaal over van de tegenstanders van het Vlaams Blok. Wat zijn ‘latente gevoelens van xenofobie’? Mag een rechtsorgaan zijn oordeel funderen op speculatie aangaande latente, derhalve onmerkbaar blijvende, verborgen gevoelens?
Is het overigens niet juist dat een groot aantal aanhangers van het Vlaams Blok voor deze partij kiest omdat zij de enige is die radicaal voor Vlaamse onafhankelijkheid opkomt?
Deze optie is niet ingegeven door xenofobie, maar integendeel door een sterk ontwikkeld identiteitsgevoel.

OVER DISCRIMINATIE

Drie vzw’s van het Vlaams Blok werden veroordeeld wegens inbreuk op artikel 3 van de wet van 30 juli 1981, dat degene bestraft die behoort ‘tot een groep of vereniging die kennelijk en herhaaldelijk discriminatie en segregatie bedrijft of verkondigt (…) dan wel aan zodanige groep of vereniging zijn medewerking verleent.’
Discriminatie is, zo bepaalt artikel 1 van dezelfde wet ‘elke vorm van onderscheid, uitsluiting, beperking of voorkeur, die tot doel heeft of ten gevolge of kan hebben dat de erkenning, het genot, of de uitoefening op voet van gelijkheid van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op politiek, economisch, sociaal of cultureel terrein of op andere terreinen van het maatschappelijk leven, wordt teniet gedaan, aangetast of beperkt.’
Deze definitie is zo weids dat nog nauwelijks voorzienbaar is welk gedrag wederrechtelijk is.
‘Tot gevolg kan hebben’ is een stipulatie die door de Raad van State als ongrondwettelijk werd beschouwd. De regering hield voet bij stuk, ook al stak minister van Justitie Verwilghen zijn bezorgdheid niet onder stoelen of banken: ‘Het is derhalve moeilijk verdedigbaar om de burgers een principieel verbod op te leggen waarvan de concrete inhoud niet vaststaat.’
De discriminatie ligt op de loer zodra men zich buiten de deur waagt. Onderscheid, beperking of voorkeur zijn immers schering en inslag in het dagelijks verkeer. Elke mens heeft voorkeuren, iedereen discrimineert. De sfeer van voorkeuren strekt zich concentrisch uit rondom de eigen fragiele gestalte: eerst komen het kroost en de geliefde, vervolgens de vrienden, de verwanten, collega’s en kennissen; de ideologisch gelijkgestemden en geloofsgenoten, de leden van de vereniging, club of bond waartoe men behoort, de landgenoten,; de personen met wie men een cultuur, een traditie, een taal en een geschiedenis deelt; in voorlaatste instantie de mensheid en laagst in de rangorde, de Aarde compleet met aardwormen en aardvarkens. De aanbeveling van Christus indachtig discrimineert men ten bate van zijn naaste. Men hoeft geen nationalistische diehard te zijn om de voorkeur te geven aan de mensen met wie men zich verbonden voelt.
Elke mens streeft naar welvaart, erkenning, aanzien, status en succes, voor zichzelf en voor zijn kinderen. In een dichtbevolkte wereld kan hij zijn doel slechts bereiken door middel van competitie en concurrentie. De goederen en de kansen zijn immers beperkt; meestal bereikt men zijn oogmerk slechts ten koste van anderen.
In een democratie gelden ingewikkelde regels om de belangen van individuen en groepen tegen elkaar af te wegen. Deze regels strekken er niet toe de gelijkheid in te voeren, maar de ongelijkheden enigszins te beperken en hun effect te verzachten.
Zij zijn de uitkomst van een pragmatische visie. Democratie is een kwestie van passen en meten, van puzzelen en schuiven, van kleine correcties in de marge. Het is al een Sisyphusarbeid om elke burger enigszins het uitzicht op een menswaardig bestaan te bieden. Het weren van elk onderscheid is onbegonnen werk. Indien men daarin slaagde zou de algemene stagnatie intreden. Onderscheid is immers de motor van de menselijke activiteit.
De drang om te winnen, om boven anderen uit te tronen, vertaalt zich zelfs op kinderachtige wijze in de ontelbare televisiespelletjes. Elk vakgebied heeft zijn prijzen en onderscheidingen. In elke sector van de samenleving worden rangschikkingen en tabellen van verdienste opgesteld. Dit kan overigens tot komische effecten leiden. De Morgen publiceerde in 2003 een evaluatie van de Vlaamse parlementsleden. De vertegenwoordigers van het Vlaams Blok kregen allemaal nul punten, op Annemans na, die met 0,5 punten werd bedacht.
De diversiteit van onderscheid, voorkeur, beperking en zelfs uitsluiting – staten verhinderen of beperken in principe de toegang van vreemdelingen tot hun grondgebied - is in een moderne samenleving onontkoombaar.
De drift om als een ouderwetse schoolmeester de les te spellen, en te bestraffen schijnt echter onweerstaanbaar te zijn. In 2003 had de regering alweer een nieuwe wet ter bestraffing van discriminatie ontworpen. Terwijl de wet van 1981 met zijn specifieke op het zogenaamd ras etc. toegespitste toepassingsveld bleef bestaan, werd nu ten overvloede deze racistische intentie nogmaals beteugeld, benevens het verschil in behandeling dat gebaseerd is op ‘seksuele geaardheid, de burgerlijke staat, de geboorte, het fortuin, de leeftijd, het geloof of de levensbeschouwing, de huidige en toekomstige gezondheidstoestand, een handicap of een fysieke eigenschap.’ Met al die factoren mocht men geen rekening meer houden bij het leveren van goederen en diensten aan het publiek, bij de toegang tot bezoldigde als onbezoldigde arbeid, de benoeming of bevordering van ambtenaren, de vermelding in een officieel stuk, de toegang tot activiteiten toegankelijk voor het publiek. Verboden werd eveneens elke vorm van directe of indirecte discriminatie bij ‘het verspreiden, het publiceren of het openbaar maken van een tekst, een bericht, een teken of enig andere drager van discriminerende uitlatingen’. Hier stond dus letterlijk dat degene die discrimineert er moet voor zorgen dat zijn discriminerend geschrift elke gegadigde bereikt. Niet echt taalkunstenaars, onze wetgevers. Deze absurde bepaling werd door het Arbitragehof vernietigd.
Het Vlaams Blok had nog andere bezwaren tegen de nieuwe wet.. Men vond dat in de nochtans reeds indrukwekkende litanie van misdrijven de discriminatie wegens taal en politieke overtuiging niet mocht ontbreken.
En ziet, het Arbitragehof was het daarmee eens. Het oordeelde dat deze wet zelf …discrimineerde! De ingreep van dit Hof was radicaal: de hele opsomming van gronden voor discriminatie werd uit de wet geschrapt. Bleef over de definitie van discriminatie als
het hanteren van elk onderscheid dat niet berust op een ‘objectieve en redelijke grond van rechtvaardiging’
Maar wat is objectief en redelijk? Zijn niet alle keuzes en voorkeuren die wij ten opzichte van de medemens maken, de uitkomst van een aantal factoren, zoals, benevens berekening, ook intuïtie, inschattingsvermogen, empathie, die niet objectief of redelijk zijn aan te tonen? En kan men van de burger eisen dat hij elke keuze die hij in de sociale sfeer maakt, meteen ook staaft, zoals een boekhouder zijn balansen? Is het niet het recht van de burger zelf te beslissen met wie hij verbintenissen sluit?

Het is onmogelijk de antidiscriminatiewet na te leven.
Dat bewijst de overheid, die zelf discrimineert.
Nemen wij als voorbeeld het recht op huisvesting, zoals belicht door gewezen burgemeester van Antwerpen, Bob Cools, tevens oud-voorzitter van het OCMW :’Vorig jaar hebben we voor 70 procent aan allochtonen verhuurd. Hoe kan je vandaag nog een prognose maken als je aan de hele wereld verhuurt? Toenmalig minister Jaak Gabriëls (VLD) heeft in januari 2002 een circulaire uitgevaardigd die ons verplicht om ook mensen die in een asiel- of regularisatieprocedure zitten een woning toe te wijzen. Sindsdien worden de maatschappijen overspoeld door mensen die in sommige gevallen zelfs een papier hebben dat ze niet op het Belgische grondgebied mogen verblijven.‘( Trends 20 mei 2004)
Cools besluit:’Het is niet socialistisch als de armen hier moeten opdraaien voor de armste van de wereld. ‘
Het is niet enkel niet socialistisch, het is gewoon discriminatie van de autochtone kansarme. Voor de circulaire van Gabriëls bestaat geen objectieve en redelijke grond
Een aantal fiscale maatregelen is discriminerend.
De burger die netjes zijn belastingformulier invult, betaalt veertig procent en zelfs meer, van zijn bruto-inkomen aan de fiscus. De fraudeur die in 2004 zijn zwart geld repatrieert ontkwam met een boete van 8 procent.
Een jaar later wordt een tweede fiscale amnestie afgekondigd terwijl de kleine spaarder
belast wordt op zijn beleggingsfondsen.
Voor gelijk werk ontvangt een vrouw nog altijd gemiddeld 5 procent minder loon dan een man. In het Hof van Cassatie zetelen dertig magistraten, onder wie slechts 3 vrouwen.
De discriminatie van autochtonen ten voordele van allochtonen woedt niet enkel in de sector
van de huisvesting., maar bijvoorbeeld ook in het onderwijs.
De staat geeft voor een allochtone leerling beduidend meer uit dan voor een autochtoon. Dat is blijkbaar niet voldoende, want minister Vandenbroucke dreigde een (uiteraard financiële) sanctie op te leggen aan die scholen die een degelijk niveau betrachten, en uit dien hoofde enkel de leerlingen aanvaarden die op dat niveau kunnen functioneren.
Het ontstaan van de ‘zwarte scholen’ zou dan weer als discriminatie én segregatie van allochtonen door autochtonen kunnen getypeerd worden. De situatie vormt een …schoolvoorbeeld van de onduidelijkheid, de misverstanden en de hypocrisie die door een algemeen, ongespecificeerd verbod op discriminatie kunnen ontstaan. Hier zien we hoe autochtonen massaal een onderscheid hanteren tussen hun eigen, en de allochtone kinderen. Dit onderscheid heeft tot gevolg dat de allochtone kinderen niet dezelfde toegang hebben tot het kwaliteitsonderwijs.
Het fenomeen is simpel: in scholen door een aanzienlijk allochtonen worden bezocht, zakt het
peil van kennisverwerving. De leraren horen de moeilijkheidsgraad van hun onderricht immers af te stemmen op de zwakste leerlingen, die worstelen met een cultuur-
en taalachterstand.
De ouders van de autochtone kinderen zien de kansen van hun kroost op een interessant diploma slinken, en wensen dat hun kind liefst in aanraking komt met schoolgenoten die dezelfde waarden hanteren waarin het zelf is opgevoed. Ze sturen het naar een school met een gering aantal, of geheel zonder allochtonen. De Antwerpse senator Mimount Bousakla (SPA) die ik in november 2002 sprak naar aanleiding van de rellen in Borgerhout vertrouwde me toe: ‘Mijn eigen zuster zou haar kinderen nooit naar een concentratieschool sturen. De leraren worden daar uitgelachen in het Arabisch en in het Berbers.’
Sommige gezinnen verhuizen zelfs om in een randgemeente de juiste school te vinden.
De leider van de Nederlandse socialisten, Wouter Bos, laat er geen twijfel over bestaan dat hij het welzijn van zijn dochter primeert boven de multiculturele correctheid: ‘Ik heb het ouders nooit kwalijk genomen dat ze hun kinderen naar witte scholen sturen. Je mag het ouders niet aanrekenen dat ze het beste willen voor hun kind. Dat zal straks ook voor mij gelden.‘ En hij besluit met de waarschuwing: ‘Het is mijn meisje en daar moet de rest van de wereld afblijven.‘(Elle, oktober 2004) De Rotterdamse wethouder van Onderwijs, de christen-democraat Leonard Geluk, pleit voor meer contacten tussen allochtone en autochtone jongeren, zendt zijn dochter nochtans naar een witte school: ‘ Je denkt: je kind verzuipt op zo’n zwarte school.’ (HP/De Tijd, 3 december 2004)
Al deze ouders, Wouter Bos en Leonard Geluk incluis, discrimineren. Ze stemmen als het ware met hun voeten. Ze verlaten de onderwijsinstellingen, die hen niet bevallen, en zoeken hun heil elders. Zo laten ze de allochtone kinderen alleen achter in instituten waar het peil zakt naarmate de ‘witten’ vertrekken. De kansen van de kleine allochtonen nemen af. Het onderscheid, gemaakt door de autochtonen, wordt de allochtonen nefast. Zij blijven achter in hun ‘zwarte’ gesegregeerde school.
Maar wie zal die ouders de eerste steen werpen?
De VRT zond in 2004 een documentaire uit over een school in de Gentse volksbuurt Muide, die twintig jaar geleden homogeen ‘wit’ was. Tien jaar geleden werd ze nog uitsluitend door Turkse en Marokkaanse kinderen bezocht. Anno 2004 waren zij alweer vervangen door Tsjetjenen , Kosovaren, en andere asielzoekers. De Turkse en Marokkaanse ouders zagen geen heil meer voor hun kinderen in een school waar allengs het gros der leerlingen helemaal van nul moest beginnen.
Is de zogeheten ‘positieve’ discriminatie van allochtone werklozen gerechtvaardigd? De minister van Werkgelegenheid Renaat Landuyt vaardigde een hele waslijst van maatregelen uit. Bedrijven krijgen geld om allochtonen aan te werven. Allochtonen ontvangen 2.500€ voor extra opleiding en begeleiding.
Landuyt fungeerde zelfs als voetbalmakelaar. Op kosten van de belastingbetaler heeft hij acht allochtone zaalvoetballers uit Borgerhout een profcontract aangeboden.
In het algemeen zijn de voorwaarden voor het verweven van subsidies gunstiger voor allochtone (jeugd)verenigingen. Ze moeten minder leden tellen en minder activiteiten organiseren.
De positieve discriminatie wordt verantwoord door verwijzing naar de kansarmoede van de allochtoon. Het beleid van Landuyt en zijn collega’s is bedoeld om die situatie te verhelpen. Maar zouden zij niet moeten proberen alle kansarmoede, zonder onderscheid van zogenaamd ras, huidskleur etc. te compenseren? De cijfers van de VDAB tonen aan dat niet de allochtonen, maar de oudere werklozen en de gehandicapten de geringste kansen hebben op de arbeidsmarkt
Overigens, hoe ontstaat de kansarmoede van allochtonen? De aanhangers van de multiculturele samenleving zien hen als slachtoffers. Dat is in zeker opzicht juist: zij zijn de slachtoffers van de bewindslieden die alsmaar meer vreemdelingen tot het grondgebied hebben toegelaten zonder na te gaan of ze aan de elementaire vereisten voldeden om op enige wijze te kunnen functioneren in onze samenleving. Het kan niet de bedoeling zijn dat illegalen, al dan niet geregulariseerd, fictieve asielzoekers (negentig procent van het hele contingent), en grootmoeders en importbruiden per tijdmachine uit de Middeleeuwen naar het postmoderne tijdvak gestraald, hier in de ‘sociale hangmat’ (copyright Wouter Bos) komen hangen.
Is der kansarmoede niet deels ook het gevolg van de opvattingen over opvoeding in de schoot van het Marokkaanse gezin, waar de zonen ruime vrijheid genieten, weinig of niet gecontroleerd worden, en de school wel eens meer links laten liggen, ten gunste van boeiender activiteiten?
Een sanctie op het spijbelen zou misschien een paar zoden aan de dijk zetten.
Maar misschien zou dat volgens de politiek correcte bijbel wel discriminatie zijn. .
Integratie is een zeer geleidelijk proces. Zij wordt ondergraven wanneer de overheid geen paal en perk stelt aan de omvang en de misbruiken van de gezinshereniging, aan het fenomeen van de import bruidegoms en bruiden, en bovendien nog eens overgaat tot regularisatie van tienduizenden illegalen, per definitie onaangepaste lieden die in het beste geval hun brood verdienen als zwartwerkers, maar vaak genoeg leven van de openbare liefdadigheid, of zich aan criminaliteit overgeven.
Concluderend: wie de discriminatie wil uitroeien wordt geconfronteerd met de paradoxale taak een onderscheid ten maken tussen diverse vormen van discriminatie, de wettelijke, de ‘positieve’, de gedoogde, de maatschappelijk aanvaarde, en de onvermijdelijke. En de discriminatie sui generis van het Vlaams Blok.
Docent arbeidsrecht Marc De Vos over de wet tot bestraffing van discriminatie: ‘Wat wel of niet voor ‘objectief’ en ‘redelijk’ kan doorgaan, mag Joost weten. Het algemene discriminatieverbod geeft een blanco cheque aan de rechtbanken die de wet moeten toepassen. Ayatollahs van de gelijke behandeling kunnen de antidiscriminatiewet onder het mom van ‘redelijkheid’ tot fundamentalistische hoogten tillen.’ (De Standaard, 14 oktober 2004).
Uit dit alles blijkt dat het wellicht verstandig zou zijn discriminatie uit de strafwet te halen.
Van de overheid mag men immers verwachten dat zij, als zaakwaarnemer van het algemeen belang, redelijke en objectieve maatstaven hanteert. Zij hoort geen voorkeuren te koesteren, want elke burger is gelijk voor de wet.
De handelingen van de burger zelf worden altijd door voorkeuren ingegeven. Voorkeur is het mechanisme van de vrije keuze. Die keuzevrijheid is het fundament van de democratie. Van de burger eisen d


25.08.2008 .......  Patrick verzet de bakens
06.06.2008 .......  Veilig Nederland
30.05.2008 .......  Campagne
29.03.2008 .......  De stralende toekomst van Darfoer
27.03.2008 .......  Provocatie
02.02.2008 .......  Spijt

 Archief


ARREST HOF VAN BEROEP GENT: een kritisch essay

02.02.2008 17.35u - ENKELE KANTTEKENINGEN BIJ HET PROCES TEGEN HET VLAAMS BLOK

INLEIDING

Het Cassatiearrest van 9 november 2004 in de strafzaak tegen drie vzw’s van het Vlaams Blok voltooide een geding dat gedurende jaren de gemoederen heeft verhit.
Juridisch is het laatste woord gesproken. Maatschappelijk blijft er een haard van conflicten smeulen die bij de geringste aanwakkering weer kan ontbranden.
Want de definitieve veroordeling van het Vlaams Blok lost noch de problemen op, die door deze partij, volgens de rechters op strafbare wijze, werden aangekaart, noch maakt zij een einde aan een op het scherp van de snede gevoerde discussie over het prangende problemen die voortvloeien uit de immigratie en het multi-etnisch karakter van de samenleving.
Er zijn demografische, economische en sociale aanwijzingen dat deze problemen eerder toe- dan afnemen. Zal de political correctness, die haar vreemdelingenbeleid vooral op de bescherming van de allochtoon afgestemd wil zien, de koers blijven bepalen? Of nemen de traditionele partijen de waarschuwing ter harte van de eerste burger van het land, die vreest dat onze beschaving door een vloedgolf van migranten wordt weggespoeld?
Het Vlaams Belang heeft al laten weten dat men het programma van het veroordeelde Vlaams Blok onvoorwaardelijk trouw blijft, wat de dialoog niet bevordert.
Blijkt anderzijds aan de basis van de traditionele partijen dat het cordon sanitaire steeds minder aanhangers telt, dan blijven hun politieke leiders er zich hardnekkig aan vastklampen. Soms krijgt men de indruk dat zij zelf in hun schutskring opgesloten zitten, en zich enigszins radeloos afvragen hoe ze er zich zonder al te veel gezichtsverlies uit kunnen bevrijden.
Na de voorlopig laatste ‘zwarte zondag’, in 2004, vernam men uit de hoofdkwartieren schuchtere suggesties om over te gaan tot de ‘evaluatie’ van de snel-Belgwet. Net als de wet op het migrantenstemrecht is dit staaltje van ondoordacht en nefast beleid een doorn in het oog van de meerderheid der Vlamingen. De evaluatie bleef uit.
Hierbij dringt zich de vaststelling op dat enkel het Vlaams Blok zich radicaal heeft verzet tegen deze wetten die door de Waalse partijen werden opgedrongen.
Zal het Vlaams Belang, dat een kwart van de Vlamingen vertegenwoordigt, bij het beleid worden betrokken? Of worden de pogingen hervat om de partij door middel van een systematische haatcampagne te demoniseren? Het procédé heeft niet echt weerklank gevonden bij de bevolking, wat haar ‘progressieve’ tegenstanders na de éclatante verkiezingsoverwinning van de verketterde partij op 13 juni 2004, tot enige omzichtigheid heeft aangezet. Nog kon de man die geroepen was om aan te treden als Vlaams minister- president er zich niet van weerhouden de kiezers van het Blok als ‘criminelen of potentiële criminelen’ te bestempelen. Maar in de volgende weken sloeg men in het ‘weldenkende’ kamp een meer gematigde toon aan. Er scheen een ogenblik van bezinning te zijn ingetreden..
Men gaf hier en daar toe dat men - gedurende dertig jaar- een ontoereikend, of zelfs helemaal geen vreemdelingenbeleid heeft gevoerd. Deze openbare biecht mag gezien worden in het licht van de bekommering van de politici die dat beleid (niet) hebben gevoerd, om niet nog meer kiezers af te stoten. Zij hield immers de belofte in dat men voortaan beter naar ‘de mensen’ zou luisteren.
Of dit ooit werkelijk gebeurt of niet, feit is dat 13 juni de Belgische politieke wereld op zijn grondvesten heeft doen daveren. Het wankele evenwicht tussen de twee taalgemeenschappen dreigt onherroepelijk verstoord te raken.
De houding van de Waalse partijen, en in het bijzonder van de Parti Socialiste is voorspelbaar. Met haar volgehouden halsstarrigheid zal zich blijven verzetten tegen de splitsing van de sociale zekerheid. In het federale parlement zal zij proberen het Vlaams Belang financieel droog te leggen. Minister Onkelinx wijkt niet af van haar gewoonte om haar veto stellen tegen elk voorstel dat haar moslimvrienden zou kunnen mishagen.
Veel zal dus afhangen van het zelfrespect dat de Vlaamse bewindslieden en politici aan de dag weten te leggen. Daar is op federaal vlak vooralsnog weinig van te merken. Met name de VLD is, tegen de zin van een groot deel van haar kiezers bereid onder het Waalse juk te blijven doorlopen, teneinde haar portefeuilles te bewaren.
Indien degenen die eindelijk uit hun multiculturele droom zijn ontwaakt, deze rijkelijk verlate bewustwording ook willen omzetten in een coherent beleid, zullen zij het conflict met de PS moeten aangaan. Onder Verhofstadt II lijkt dit al even onwaarschijnlijk als onder Verhofstadt I. Zij zullen tevens het fundamentele debat moeten aangaan met het Vlaams Belang, waarvan de voorganger, zoals vertegenwoordigers van de ‘traditionele’ partijen vaak hebben herhaald, de juiste analyse maakte, maar de verkeerde oplossingen bood. Zijn zij dan van oordeel, zo zou men zich kunnen afvragen, dat de bewindslieden in landen als Nederland, Frankrijk, Denemarken of Noorwegen, waar men, net als het Vlaams Belang, paal en perk wil stellen aan de immigratie, eveneens verkeerd bezig zijn?
Of weten ze zich gewoon geen raad?
Uit de bekentenisliteratuur die na 13 juni 2004 in de media werd geventileerd blijkt dat zij beseffen dat zijzelf evenmin oplossingen te bieden hebben.
Deze beangstigende schaarste aan oplossingen zou, liefst ‘onverwijld’, verholpen moeten worden.
Of zal men het debat nog immer verstikken onder een taboe, of door een zwijgplicht verijdelen? De laatste term is ontleend aan een beschouwing van de hand van de politiek directeur van een onafhankelijk dagblad, gepubliceerd op 20 november 2004 onder
de titel ‘Vanwaar toch die fascinatie?’. Het voorwerp van deze fascinatie blijkt het Vlaams Blok te zijn. Fascinatie is betovering, en kan in dit geval het best worden uitgelegd als de verlamming van degene die de blik niet kan afwenden van het bewonderde of, zoals in dit geval, gevreesde object.
Aanstonds laat ik de heer Yves Desmet aan het woord: ‘Maar ook ter linkerzijde heeft men het Blok danig geholpen. Door jarenlang een omertà uit te spreken over de reële problemen die de multiculturele samenleving met zich brengt, door halsstarrig te blijven ontkennen dat er minder leuke mensen rondlopen in de migrantensamenleving, door steeds te minimaliseren en te bagatelliseren, door mensen met problemen makkelijkheidshalve dan maar direct tot halve of hele racist te verklaren heeft progressief Vlaanderen veel mensen naar de extreemrechtse hoek gejaagd, waar ze zich plots best thuis blijken te voelen.’
Een omertà verklaren door gemakzucht is wel heel vergezocht. Had de linkerzijde er dan geen bedoeling mee? Was het niet de ontelbare malen uitgesproken bedoeling het Vlaams Blok te verslaan, te elimineren? Had niet de trouwste bondgenoot van links, premier Verhofstadt, aan deze kruistocht zijn politieke lot verbonden?
Als biecht kon zijn ontboezeming tellen. Je zal maar lezer van De Morgen zijn. Jarenlang verzwijgt je krant onontbeerlijke informatie, jarenlang roept ze fascist en racist naar wie problemen heeft met de multiculturele samenleving, en, kan men hier er volledigheidshalve aan toevoegen, soms wringt ze de waarheid de nek om, teneinde haar ‘ethische’ boodschap kracht bij te zetten (zo werden de mandatarissen van het Vlaams Blok in het Europees Parlement, Philip Claeys en Koen Dillen, in haar kolommen aan de schandpaal genageld als hypocrieten en zakkenvullers die de records van het absenteïsme verpulveren, terwijl zij op de website van deze instelling in de ranglijst der aanwezigheden ter zitting staan aangemerkt al de nummers zes en zeven, met een score honderd procent) Op een mooie morgen blijkt dan de Heilige Geest over de politiek hoofdredacteur te zijn neergedaald en belijdt hij zijn zonden.
Dat hij door berouw werd verteerd is weinig waarschijnlijk. Veeleer ging het erom dat de herauten van de multiculturele samenleving besloten hadden hun verhaal iets beter af te stemmen op wat bij de bevolking leefde. Zo schoven de ‘weldenkende’ media na de verkiezingen van juni 2004 Bart Somers naar voren. Onder zijn bewind als burgemeester van Mechelen is het Vlaams Blok daar met voorsprong de grootste partij geworden. Hij weet dus waarover hij spreekt. Ziehier zijn analyse: ‘De Vlaming stemt voor het Vlaams Blok omdat de overheid het multiculturele vraagstuk heeft mismeesterd; Hij is het moe om beschuldigd te worden van alles wat misgaat bij de allochtonen, terwijl die allochtonen zelf bepamperd (sic) worden.’( De Morgen 11 oktober 2004)
Dat heet de vinger in de wonde leggen. De overheid heeft de toestand laten verzieken. De overheid, en niet de allochtoon, is de hoofdverantwoordelijke voor de toenemende samenlevingsproblemen. In dat opzicht heeft het Vlaams Blok zijn pijlen te vaak op het verkeerde doelwit gericht. Veel allochtonen zijn zelf slachtoffers van een beleid dat als een magneet horden vreemdelingen aantrekt, die van de westerse welvaart mee willen genieten, om ze vervolgens te dumpen in de armoewijken van de grootsteden.
Zo zijn er misstanden gegenereerd die nog nauwelijks te verhelpen zijn.
In de herfst van 2005 moet men vaststellen dat alweer een jaar verloren is gegaan.
Nu de islamisering van de grote steden onafwendbaar is geworden, nu blijkt dat de fundamentalistische terreurgroepen in de Lage Landen vaste voet aan de grond hebben gekregen, en sommige imams hun plan om de ongelovigen desnoods met harde hand te bekeren openlijk ontvouwen, nu het aantal der snel-Belgen blijft aanzwellen, en de mensensmokkelaars gouden zaken doen, nu er op deze wijze aan het al bestaande legioen van kansarmen ( de vijftigplussers meegerekend in totaal 1 miljoen werklozen waaronder een onevenredig groot percentage allochtonen) nog een subproletariaat van volslagen onaangepasten wordt toegevoegd, nu kortom het sociale weefsel van onze gemeenschap elke dag meer ontrafeld en verscheurd wordt, is een kordaat en coherent vreemdelingenbeleid de meest dringende politieke opdracht.
Het is wraakroepend zijn indien dergelijk beleid verder werd gedwarsboomd door alle misverstanden die in de loop der jaren omtrent het Vlaams Blok werden opgeroepen. De haatcampagne zal plaats moeten ruimen voor een harde maar eerlijke discussie, waarbij de ideologische vooringenomenheid zal moeten wijken voor pragmatische visie op een leefbare samenleving
In dit perspectief lijkt het onontbeerlijk dat alle partijen en hun kiezers zich een juist beeld vormen van de rechts- en feitelijke gronden waarop het Vlaams Blok is veroordeeld.
Hierover is er maar weinig klaarheid. De juridische commentaren – uiteraard bestemd voor een kleine groep – vallen uiteen in twee modellen. Het eerste model behelst niet veel meer dan de herhaling van een aantal consideransen van de verleden arresten. Een voorbeeld hiervan biedt het hoog aangeschreven Journal des Tribunaux. Een tweede model behelst wel een enigszins kritische benadering, maar waagt zich niet aan beschouwingen over de politieke en maatschappelijke context waarin de aanklacht tot stand kwam en de aangeklaagde feiten werden gepleegd.
In de niet-gespecialiseerde media trof men wel politiek geïnspireerde reacties pro of contra aan, maar geen grondige analyse, en zeker geen beoordeling waarin de interpretatie van de gewraakte feiten – die niets anders zijn dan teksten - telkens getoetst worden aan de dagelijkse realiteit die deze teksten inspireerde. De uitkomst laat zich raden: verder dan, aan de linkerzijde de eerder triomfantelijke vaststelling dat het Blok racistisch is – wat men jarenlang schreef, stond nu vast – of ter rechterzijde de verontwaardiging over de krenking van de vrijheid van meningsuiting komt men niet.
Daaruit volgt een nefaste onwetendheid, die elke verdere discussie over migratie, racisme en multiculturele samenleving vertroebelt.
Het moge vergund zijn nog eenmaal Yves Desmet te citeren. Drie dagen nadat het Hof van Beroep van Gent zijn arrest had geveld, uitte hij zijn ongenoegen over het feit dat ‘ conservatief Vlaanderen’ de kant kiest van het Vlaams Blok, over de ‘lafheid’ van Yves Leterme, die het arrest ‘inopportuun‘ vond – en over de terughoudendheid van Steve Stevaert en Guy Verhofstadt, die bedenktijd nodig hadden om zich uit te spreken. De fascinatie bleek de politici parten te spelen: ‘Als konijnen naar een lichtbak starend brengt nauwelijks een politicus nog de moed op om de onafhankelijkheid van de rechtbanken en de gegrondheid van dit vonnis te benadrukken.’ (De zinsnede hinkt vervaarlijk, - ‘nauwelijks een politicus’, is immers degene die juist niet ‘als konijnen naar een lichtbak’ staart - maar de teneur is duidelijk genoeg).
Desmet, onderstrepend dat hij het arrest had gelezen, achtte het dan ook zijn plicht, de gegrondheid ervan te bewijzen. Als volgt: ‘Natuurlijk mag je zeggen dat er Marokkaanse dieven zijn, of Belgische. Maar je mag niet zeggen dat alle Marokkanen dieven zijn.’
Desmet leest dingen die er niet staan. Uit geen enkele van de door het Hof weerhouden teksten blijkt dat het Vlaams Blok ooit zou hebben beweerd dat alle Marokkanen dieven zijn,
Wel stipt het Hof aan dat in de VB- publicaties meer dan eens het aandeel van de allochtonen in de criminaliteit wordt vermeld.
Dat cijfer, omvattende niet alleen het aantal diefstallen, maar alle misdrijven gepleegd door alle allochtonen, ligt om en bij veertig procent. Dit cijfer dat nergens wordt weerlegd.
Dat is een heel ander verhaal dan de dwaze kreet ‘Alle Marokkanen zijn dieven’. Met onjuiste informatie gericht op negatieve beeldvorming schiet niemand op. Juist in een debat over niets minder dan de toekomst van onze beschaving, die in toenemende mate afhangt van het vreemdelingenbeleid, is een helder inzicht vereist in alle elementen van het dossier. In dit dossier zijn de arresten die het Vlaams Blok veroordelen stukken van primordiaal belang.
Het is de bedoeling van dit essay enkele bemerkingen te formuleren en elementen aan te dragen die een kritische evaluatie mogelijk maken van de opvattingen over racisme, discriminatie, immigratie en multiculturele die in juridische en politieke kring leven.
Hierbij aansluitend wordt nagegaan hoe deze opvattingen hebben geleid tot een totale oorlog tegen het Vlaams Blok, eerst op wetgevend, vervolgens op gerechtelijk niveau.
Tenslotte worden de arresten getoetst aan de normen van een goede rechtsbedeling


OVER RACISME


De wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden is geen model van accurate wetgeving.
De titel roept al een aantal netelige vragen op.
Wat is racisme?
Vreemd genoeg wordt deze term in de wet niet nader gedefinieerd.
De rechtsonderhorige ziet zich dus genoopt de Van Dale te raadplegen.
Daar treft men twee definities aan: 1° opvatting dat het ene ras superieur is aan het andere en, daaruit voortvloeiend, dat ten aanzien van het ene ras andere maatstaven kunnen (mogen) worden aangelegd dan ten aanzien van het andere, syn. rassenwaan 2° discriminatie op grond van het ras.
Een rassentheorie zoals omschreven onder 1° en geijkt op het arisch syndroom van de nazi’s, wordt nog slechts door een paar zonderlingen verkondigd. Wel hoort men, en niet door de minsten, de culturele superioriteit van het Westen verkondigen. Silvio Berlusconi, Frits Bolkestein en Patrick Dewael vertolkten deze mening, en ook de toonaangevende ethicus Etienne Vermeersch vertrouwde aan het weekblad Humo toe dat de Islam een achterlijke cultuur is.
Neen, het gaat in de antiracismewet om definitie 2°, discriminatie wegens het ras, de huidskleur, de afkomst of de nationale of etnische afstamming.
Ras is volgens het woordenboek 1° een groep van mensen of dieren die gekenmerkt wordt door vaste erfelijke eigenschappen en 2° een groep van mensen of van dieren die zich volgens andere dan strikt biologische criteria gezamenlijk onderscheiden van andere exemplaren van hun soort; - etnologisch gekenmerkte groep van mensen.
Wat de definitie onder 1° betreft hebben genetici zoals de marxist Lewontin dertig jaar geleden al geponeerd dat de term elke wetenschappelijke grond ontbeert. De gemiddelde genetische variatie tussen rassen of ondersoorten (subspecies) was geringer, zo poneerden zij, dan de variaties binnen een specifiek ras. Deze stelling die wetenschappelijk niet kon onderbouwd worden omdat de kennis van het menselijke genoom nog te summier was, wekte wel verbazing. Was het verschil tussen en Chinees en een Bantoe dan geringer dan het verschil tussen twee Chinezen?
Toen omtrent de eeuwwisseling het menselijk genoom in kaart werd gebracht, ontstond meer duidelijkheid. Uiterlijke kenmerken, zoals de huidskleur, en de vorm van schedel, neus en lippen, die bij de indeling in rassen in aanmerking werden genomen, bleken door slechts een gering aantal genen te worden bepaald. In de huidige stand van de wetenschap gaat men ervan uitgaan dat slechts zeven tot tien procent van het menselijk genetisch materiaal specifiek bij een bepaalde groep voorkomt. Dat lijkt weinig. Maar het is heel veel. Het menselijk genoom
is voor 98,5% identiek aan dat van de chimpansee. .
De conclusie dat de term ‘ras’ uit biologisch oogpunt weinig of geen betekenis heef, lijkt niet
Te berusten op onomstotelijk bewijs..
Wanneer men definitie 1° verwerpt en definitie 2° hanteert, doet zich een nieuwe moeilijkheid voor. Welke andere dan strikt biologische criteria dient men in acht te nemen om van een ras te kunnen gewagen? De levenswijze van een groep, zijn geografische vestiging, cultuur, of godsdienst? Ras wordt dan een sociale constructie, opgebouwd uit heterogene elementen, waarbij overigens ook die zeven tot tien procent genetische variatie beter niet uit het oog verloren wordt, daar de mensheid nog steeds behept is met de neiging om een individu volgens zijn fysionomie te catalogeren.
Zo heeft elkeen wel zijn eigen opvatting. Duidelijkheid is ver te zoeken.
Nochtans vormt de term ras het sluitstuk is van een indrukwekkend arsenaal van internationale verdragen en daaraan conforme nationale strafwetten. De stellers van al deze teksten hebben niet goed nagedacht over wat ze met zoveel stelligheid neerschreven. Immers hoe kan men racisme strafbaar stellen als men niet precies weet wat een ras is,
Begin deze eeuw wist de Belgische regering het ook niet meer.
De logische gevolgtrekking zou geweest zijn, de termen ras en racisme uit de wet te schrappen.
Dat gebeurde niet. Integendeel, de wet van 20 januari 2003 ‘tot versterking van de wetgeving tegen het racisme’ voerde de term ‘een zogenaamd ras’ in.
De wijziging werd als volgt gemotiveerd: ‘ De genetische en biologische studies hebben aangetoond dat de mensheid niet in rassen opgesplitst kan worden. Het geloof daarentegen, dat er verschillende menselijke rassen bestaan, voedt in zekere mate de racistische ideologieën.’ (Men noteert dat dit geloof werd aangehangen door de Belgische wetgever in 1981, zowel als door de opstellers van internationale verdragen, als door eenieder die een woordenboek raadpleegde.)
De memorie van toelichting concludeert:
‘Daarom opteren wij voor het toevoegen van het adjectief ‘zogenaamd’ om erop te duiden dat dit onderscheid enkel bestaat in de geest van de racist en dus niet met de werkelijkheid overeenstemt’
Dit is een onnodige complicatie. De racist zou dus degene zijn die ten onrechte denkt dat er rassen bestaan. Een strafrechter van wie men vergt dat hij uitmaakt wat mensen denken, staat voor een netelige opgave.
Men zal opmerken dat het woord ras in de volksmond wel degelijk een betekenis heeft. Het rassenonderscheid wordt dan – zoals eerder aangestipt - bepaald door uiterlijke kenmerken, zoals huidskleur, vorm van neus en schedel, en lichaamslengte. Huidskleur staat in de wet.
Een ‘zogenaamde’ grond voor een misdrijf inschrijven in de wet, is niet echt een waarborg van rechtszekerheid.
Waarom werd de term ras dan toch behouden?
Ongetwijfeld omwille van de symboolwaarde. Op grond van racistische theorieën werden tijdens de Tweede Wereldoorlog de afschuwelijkste misdaden begaan.
Anno 2003, toen het ‘zogenaamd ras’ het levenslicht zag, was de kans op een herhaling van een dergelijk scenario onbestaande, zowel in het koninkrijk België, als in de andere West-Europese landen. Maar het Vlaams Blok bestond nog steeds. Haalde men de term racisme uit de wet, dan verdween meteen de kans om deze partij als een verzameling racisten te stigmatiseren, en ze tegen de achtergrond van de Holocaust te projecteren als nazi’s en fascisten.
Vanwaar deze schuimbekkende campagne tegen een partij, die net als elke andere democratische formatie wars is van geweld, en tegen dewelke men, na anderhalf decennium van onverpoosde observatie van elk woord en elk gebaar van de vertegenwoordigers en leden van de gehate partij, en van geduldig wroeten in de archieven, zelfs nog geen aanklacht wegens ‘aanzetting tot geweld’ kan formuleren en die men enkel het bijna niet aan te tonen misdrijf van ‘ aanzetting tot haat’ kon aanwrijven?
Na de val van de muur en het débacle van het collectivisme is het antiracisme het laatste ideologische strijdros van de linkse krachten in het Westen. In de steek gelaten door hun proletarische achterban hebben socialisten, groenen, en voormalige epigonen van Stalin, Mao of Trotzky het subproletariaat van de Derde Wereld ontdekt, als nieuwe focus voor hun
humanitaire, overigens geheel retorische aanvechtingen, en vooral, als een potentieel vervangend electoraat.
Werd België in 2003 dan zozeer door ‘zogenaamd racisme’ geteisterd dat de wetgever wel moest ingrijpen?
De lectuur van de memorie van toelichting, in de Kamer voorgedragen door Minister Onkelinx bij het wetsontwerp ‘ter versterking van de wetgeving tegen het racisme‘ is verhelderend. Wij lezen dat tussen 1981 en 1989 1266 klachten werden ingediend op basis op basis van de wet van 30 juli 1981. 987 klachten werden zonder gevolg werden geklasseerd. 43 dossiers werden aanhangig gemaakt bij de rechter, en uiteindelijk werden 16 veroordelingen uitgesproken. Nog geen twee veroordelingen per jaar dus. In 1998 werden, tot kennelijke voldoening van de stellers van het wetsontwerp niet minder dan elf gerechtelijke procedures ‘afgerond’ Of er een veroordeling dan wel een vrijspraak werd uitgesproken, verzuimden de indieners te vermelden.
Interessant is ook de opsomming van enkele misdrijven die werden beteugeld. Iemand had ‘rotturk’ geroepen naar een ander persoon, vermoedelijk een Turk; een verdachte met andere antipathieën had ‘vuile jood’ gezegd. Het Hof van Beroep van Luik verordende dat het gebruik van de term ‘neger’ strafbaar is, terwijl de correctionele rechter te Brussel oordeelde dat het gebruik van het Franstalige equivalent ‘bougnoule’ niet als uiting van rassenhaat kan worden aangemerkt. Ook de café-uitbater die geweigerd had Marokkanen te bedienen, passeerde de revue.
In het jaarverslag 2004 van het Centrum voor Gelijke Kansen en Racisme lezen we dat in de periode 1981-2003 door de hoven en rechtbanken welgeteld 168 uitspraken zijn geveld op basis van de racismewet. Dat zijn 7,4 uitspraken per jaar! Niet zelden gaat het om burenruzies en cafétwisten, feiten die niet eens tot vervolging aanleiding zouden gegeven hebben, indien er geen allochtonen bij betrokken waren geweest.
De conclusie dringt zich op dat het gevaar van al dan niet zogenaamd racisme eerder denkbeeldig dan reëel was, en dat er geen aanleiding was om de wetgeving te verscherpen.
Eigenaardig genoeg vonden de ondertekenaars van het wetsontwerp geen soelaas in de vaststelling dat de Belg zich zo zelden haatdragend opstelde tegenover de allochtoon, noch in de geringe zwaarwichtigheid der feiten.
Integendeel, zij betreurden ‘dat te weinig veroordelingen, gesteund op de antiracismewet, werden uitgesproken, in verhouding tot het aantal ingediende klachten.’
Een raadselachtige, maar ook leerrijke passage. Raadselachtig omdat men zich afvraagt wat de stellers bedoelen. Willen ze zeggen dat de parketten ten onrechte klachten hebben geseponeerd? Of zijn de rechters in gebreke gebleven? Dat schijnen Verhofstadt, Onkelinx en co. althans te suggereren. Het komt integendeel niet bij hen op te veronderstellen dat de meeste klachten gewoon ongegrond waren. Een politieagent die ‘jongeren’ aanhoudt, of een buschauffeur die de euvele moed opbrengt te eisen dat zij een vervoersdocument vertonen, loopt de kans door hen als ‘racist’ te worden uitgekreten. Racisme is het alibi en het verweermiddel van straatcrimineeltjes geworden.

Hoe dan ook, er moest meer gestraft worden. Brandmerken, beschimpen, beledigen, schofferen, sanctioneren, straffen, het zijn de wapens van de adepten van het Grote Gelijk.
Het alreeds overbelaste en met personeelsgebrek kampende gerecht moet zich derhalve zo nodig bezighouden met straatruzies en andere beuzelarijen. Waarom toch? Vanwaar die obsessie met beledigingen en ander onheus taalgebruik, een obsessie zo machtig dat ze herhaalde wetswijzigingen inspireert.
Is het gewaagd te veronderstellen dat men ook in de toekomst het bewijs wil kunnen leveren van een afkeurenswaardige racistische stroming, aangewakkerd door wie anders dan het Vlaams Blok? Moest de term racist in de wet ingeschreven blijven., zodat men de partij, haar opvolgster, en al degenen die zich verzetten tegen het rampzalige vreemdelingenbeleid verder om hun meningen kan vervolgen?
Er is, het moet gezegd, werk aan de winkel voor het Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van het racisme (CGKR) en de Liga voor Mensenrechten. Sedert 9 november 2004, de dag waarop de veroordeling van het Blok definitief werd, telt Vlaanderen officieel 984.000 ‘racisten’, of volgens Leterme ‘criminelen en potentiële criminelen’.Stemmen voor deze partij betekent immers het verlenen van medewerking aan een groep of vereniging die – althans volgens het Hof van Beroep van Gent -discriminatie verkondigt. De aard van de medewerking is volgens het Hof van Beroep niet relevant. Het volstaat dat zij ertoe strekt het voortbestaan of het functioneren van, van de groep of vereniging mogelijk te maken. Dat hebben de Blokkiezers ontegensprekelijk gedaan. Hun stemmen hebben de partij een aantal zetels in het parlement, en de daaraan verbonden levensnoodzakelijke dotaties opgeleverd. A fortiori geldt deze redenering voor de leden van de partij, die haar door hun financiële bijdrage steunen.
Het criminaliseren van een kwart van de Vlaamse bevolking is een van de vele bizarre consequenties van een ongerijmd arrest. Logisch doordenkend ontkomt men niet aan de
bizarre conclusie dat het Gentse arrest de vrijheid van vereniging opheft ten aanzien van de leden en de kiezers van het Vlaams Blok.

WETGEVING OP MAAT

De lawine van wetgeving in zake racisme, die vanaf het begin der jaren negentig werd ontketend, en die uitmondde in het proces aangespannen door de Liga voor Mensenrechten en CGKR, zwol aan naarmate het Vlaams Blok meer electorale successen boekt. Het racisme was het alibi en het politiek verweermiddel geworden van de zich met nadruk als ‘democratisch‘ aandienende partijen. Niet dat iemand ooit hun democratisch gehalte in twijfel had getrokken. Het was er hen om te doen het Blok via de aantijging van racisme als ondemocratisch te isoleren en te elimineren. Geen middel bleef onbeproefd. De Groenen, van wie De Standaard in 2004 de extreemlinkse aard heeft ontdekt, vonden het cordon sanitaire uit. Het ‘correcte’ segment van het politieke spectrum, aangevoerd door de Parti Socialiste, ruimde één voor één alle wettelijke obstakels uit de weg die vooralsnog verhinderden het Blok te laten veroordelen. De PS voelde immers de hete adem van het Blok in de nek, vanaf het ogenblik dat deze Vlaamse Partij in Brussel stemmen begon te werven en te winnen. De Waalse socialisten, die er door gewezen minister van Justitie Van Parijs van beticht werden stemmen te ronselen in en rond de moskeeën, kunnen zich dank zij de regularisatie van illegalen, de invoering van het migrantenstemrecht en de snel-Belgwet opwerpen als voorvechter van de allochtonen, waarvan een stijgend aantal (34.000 in de eerste zes maanden van 2004) een Belgisch paspoort krijgt aangereikt. Men moet al erg naïef en wereldvreemd zijn om politici als barmhartige Samaritanen en onbaatzuchtige wereldverbeteraars te beschouwen. Zij vechten voor hun eigen apenrots.
In België creëren wetten nieuwe kiezers. Ze kunnen, omgekeerd, ook worden ingevoerd om kiezers af te schrikken, en omgesmeed tot wapens tegen de politieke opponent. Men hee. Z ft slechts een meerderheid in het Parlement nodig. Nu, die meerderheid was gauw gevonden. De gestage opgang van het Blok boezemde alle andere partijen onrust, angst en weldra radeloosheid in. De ‘weldenkende’ media konden het tij niet keren. Deze tegenstander bleek immuun voor scheldkanonnades, schutskringen en haatcampagnes.
Vanaf de eerste Zwarte Zondag, in 1991, moet het plan zijn ontkiemd om de politieke vete niet in het parlement, niet in het openbaar debat, maar door de rechterlijke macht te laten beslechten. Algauw ontstond een koortsachtige wetgevende activiteit. In het parlement zou men de instrumenten vervaardigen die de rechters moesten toelaten de luis in de pels dood te drukken.
Eerst werd de wet van 15 februari 1993 gestemd, waarbij het CGKR, een van de latere klagers tegen het Vlaams Blok, werd opgericht. Dit orgaan heeft ruime bevoegdhedeno verstrekt het ‘vorming aan magistraten’. Zijn de magistraten dan niet behoorlijk opgeleid? Niet, zo blijkt uit de opdracht van het CGKR, als het om racismebestrijding en…om de ontkenning van de Holocaust gaat, een materie die gemiddeld een keer om de vijf jaar in de rechtbank opduikt.. De meeste magistraten hebben wel wat anders aan het hoofd, bijvoorbeeld hoe ze kunnen beletten dat tienduizend verdachten door verjaring aan berechting ontsnappen. Of hoe ze de golf van diefstallen en inbraken het hoofd kunnen bieden. Voor de haarkloverijen van de professionele antiracisten hebben ze weinig tijd over. Dus moet hun kennis worden bijgespijkerd en hun ijver aangewakkerd. Er moet voortvarender worden gereageerd worden op misdadige activiteiten zoals ‘pesterij en ruzie’, volgens het jaarverslag 2003 ‘de meest aangehaalde reden om bij het Centrum klacht neer te leggen.’
Onder de titel ‘Belangrijke rechtspraak’ wordt in hetzelfde jaarverslag als eerste prestatie van het Centrum haar tussenkomst bij de Vlaamse Geschillenraad voor Radio en Televisie
opgevoerd, naar aanleiding van een reportage over een tenniswedstrijd. De presentatoren waren ‘ bijzonder scherp uitgevallen naar de zussen Williams’.O heremijntijd, welk een afschuwelijk vergrijp. Gelukkig vonden de zussen, hoewel zich ongetwijfeld van geen kwaad bewust, nobele beschermheren bij het CGKR, dat niet rustte tot de schuldige presentatoren een blaam hadden gekregen.
Beuzelarijen, haarkloverijen, werk aan de winkel voor niet minder dan honderd rechtstreeks onder de eerste minister ressorterende bureaucraten, die moeten waken over het correcte taalgebruik van de autochtoon. ’t Is een aartsmoeilijke opdracht. Eerst moet men de bokken van de schapen scheiden. Wie zijn politieke tegenstrever racist, xenofoob of fascist noemt, maakt zich niet schuldig aan discriminatie noch aan het zaaien van haat. Hij spreekt een politiek correct banvloek uit, dat elk debat overbodig maakt. Hij dient niet wegens vulgariteit gelaakt, maar om zijn nobele inborst geprezen. Wordt hij immers niet gedreven door de ambitie, de onverdraagzaamheid te bestrijden? Bovendien zijn het mensen van ‘ het eigen volk’ die aldus bejegend worden, en die moeten liefst geen lange tenen hebben. De allochtoon echter, vooral in de moslimvariant, verdient bijzondere bescherming. Wie ook maar iets durft te beweren of neer te schrijven wat hem, of zijn schare van beschermengelen mishaagt, wordt door het zichzelf als onafhankelijk presenterende CGKR voor de strafrechter gesleept.
Onafhankelijk? Wat een gotspe. Het CGKR hangt een onverbloemd multiculturalistische ideologie aan. In het jaarverslag 2004 lezen we dat het Centrum ernaar streeft ‘integratie naar diversiteit’ te evalueren. Een verbazende belijdenis..Integratie wordt door het aanwakkeren van diversiteit immers alleen maar gedwarsboomd. Maar vooral, hier wordt een politiek standpunt verkondigd. Het is niet de eerste en niet de laatste keer. In hetzelfde jaarverslag waarschuwt het onafhankelijke instituut tegen ‘onvoorzichtige uitspraken over bij voorbeeld gezinshereniging.’ Die zijn immers ‘koren op de molen van xenofobe en racistische groeperingen.’
Wie niet als xenofoob aan de schandpaal wil gespijkerd worden, doet er best het zwijgen toe, ook al was het anno 2004 al lang zonneklaar dat er op grote schaal misbruik wordt gemaakt van het recht op gezinshereniging, en dat het principe zelf dringend aan een kritische evaluatie toe is. Dat is het Centrum ten voeten uit: noch min noch meer een gedachtepolitie.

Eens het CGKR als vervolgingsorgaan was geïnstalleerd, werden de wettelijke wapens vervaardigd die nodig waren om het optimaal te laten functioneren.
De racismewet van 30 juli 1981 werd diverse keren aangescherpt. Bijzondere aandacht vergt het artikel 3 dat in 1994 zo werd gewijzigd dat het voortaan ook het behoren tot een groep of vereniging die discriminatie verkondigt, strafbaar stelt. Welke groep of vereniging had men in het vizier? In 1994 was er in het land één vereniging die zich heftig verzette tegen het vreemdelingenbeleid van de regering en de daaruit voortvloeiende wantoestanden: het Vlaams Blok.
Die partij kon echter niet vervolgd worden. Een politieke partij beschikt immers niet over rechtspersoonlijkheid. De gedachte achter deze tot dat ogenblik altijd gerespecteerde regel was dat politieke processen beter vermeden worden. In een democratie vormt het kiezerskorps, en niet de rechterlijke macht, de vierschaar waar politieke geschillen beslecht worden, Door degenen te vervolgen die op enige wijze hun medewerking verlenen aan het Vlaams Blok of er deel van uitmaken, kon men deze klip omzeilen.
Evenwel, wie zou men vervolgen? Aangezien het misdrijf van medewerking aan het verkondigen aan discriminatie slechts door middel van de drukpers tot stand kan komen, lag het voor de hand de auteurs, drukkers of uitgevers van de gewraakte teksten te vervolgen.. Dan zou echter artikel 150 van de Grondwet spelen, die het drukpersmisdrijf naar het Assisenhof verwijst. Dat is een omslachtige procedure met een onzekere uitkomst. Daarom worden drukpersmisdrijven allang niet meer vervolgd.
De methode om dit obstakel te verwijderen, was gauw gevonden: men wijzigde gewoon de Grondwet. Dat gebeurde bij de wet van 7 mei 1999. De bevoegdheid van het Hof van Assisen in zake drukpersmisdrijven werd opgeheven, enkel en alleen in zaken ‘ingegeven door racisme’.
Zo kon men de schuldige auteurs, drukkers of uitgevers alsnog dagvaarden. Het gebeurde niet. Men had geen aandacht voor het kleine grut. De veroordeling van de hoofdredacteur of de verantwoordelijke uitgever van De Veujvechter, of van een scribent uit Erpe-Mere, beantwoordde niet echt aan het beoogde doel. Eén ‘bepaalde groep of vereniging’ wekte meer belangstelling. En zo werd op 4 mei 1999 het sluitstuk van de hele constructie aangebracht. Het artikel 5 van het Strafwetboek over de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen, dat in 1934 werd afgeschaft, werd opnieuw ingevoerd. Werd het land plotseling bedreigd door een meute van criminele rechtspersonen?
Quasi gelijktijdig werden dus twee krachtige ingrepen in ons rechtsbestel doorgevoerd. De bekommering om politieke controverses buiten de rechtbank te houden, die spoort met het principe van de scheiding van machten, leek plotseling voorbijgestreefd. En het beginsel van de straffeloosheid van rechtspersonen, gesteund op het individuele karakter van misdrijven, werd na meer dan anderhalve eeuw goede dienst hier te lande, naar de schroothoop der geschiedenis verwezen. Het was nochtans een eerbiedwaardig principe, vervat in het Romeinse adagium societas delinquere non potest, dat in de Belgische rechtspraak met het oog op de financiële gevolgen van het misdrijf werd omgevormd tot societas delinquere potest, sed puniri non potest: een vereniging kan wel een strafbaar feit plegen, maar kan niet strafrechtelijk veroordeeld worden.
Het Vlaams Blok is geen rechtspersoon. De vzw’s van de partij zijn dat wel. Zij konden dank zij de nieuwe wetsbepaling schuldig bevonden en gestraft worden.
Hier betreden we het terrein van de fictie. De vzw’s zijn opgericht om de dotaties van de overheid in ontvangst te nemen en te beheren. Zij zijn de schatbewaarders van de partij. Zij vormen, samen met bijvoorbeeld het secretariaat of de studiedienst, een integrerend deel van de partij. Zij worden bestuurd door de heren Frank Van Hecke en Filip Dewinter, resp. voorzitter en fractieleider van het Vlaams Blok, die dus, in de termen van de wet, ‘behoren’ tot zichzelf, en aan zichzelf ‘medewerking verlenen.’
De vzw’s vervolgen wanneer men de partij viseert komt erop neer een boekhouder aansprakelijk te stellen voor vergrijpen begaan door het bedrijf dat hem tewerkstelt, terwijl hem zelf geen fout kan worden aangewreven.
Het moge duidelijk wezen: Het Vlaams Blok stond in het parlement al terecht. Het Vlaams Blok moest veroordeeld worden..En van zulk een veroordeling werd een heilzaam effect verwacht, zeker als ze uitgesproken werd in volle verkiezingscampagne. Zou het Vlaams Blok hieraan ten onder gaan? Dat was maar zeer de vraag.
Voor alle zekerheid had men dus in het parlementaire wonderjaar 1999 ook nog de wet op de financiering van politieke partijen gewijzigd. Voortaan kon de dotatie worden ingetrokken van een politieke partij die aantoont dat ze vijandig staat tegenover de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Wie ervan uitgaat dat allochtonen alleen maar rechten hebben en geen plichten, komt algauw tot de conclusie dat een partij die dat principe bestrijdt de democratische rechten met voeten treedt.
Hier is geen twijfel mogelijk: enkel het Vlaams Blok werd door deze wet geviseerd. Alle andere partijen liepen braaf in het politiek correcte spoor, uitgetekend door de Parti Socialiste.
Bovenstaand relaas gaat uit van het onderliggende vermoeden van een exclusief tegen het Vlaams Blok gerichte wetgevende campagne. Dat vermoeden is, wat de wet op de dotaties betreft, onweerlegbaar.
Ook voor het opnieuw invoeren van de strafbaarheid van rechtspersonen kan men bezwaarlijk een ander motief aantonen. Wat de andere wetswijzigingen betreft kan het vermoeden niet bewezen worden dan door circumstancial evidence, betekenisvolle aanwijzingen.
Er is de chronologie: pas nadat het Vlaams Blok begon aan zijn steile opmars ontstond de behoefte om door middel van noeste wetgevende arbeid het racisme te bestrijden. De activiteit werd bijkans hectisch in 1999 wanneer het Vlaams Blok zich in Brussel opwierp als de sterkste Vlaamse partij.
Er is de vraag van de bedoeling van deze opeenvolgende, en bij elkaar aansluitende wetten en wetswijzigingen. Wie werd door de antiracismewet geviseerd?
Het racisme bleek in de periode tussen 1981 toen die wet in werking trad en 1993, toen het CGKR werd opgericht niet zo virulent dat de wetgever er wakker moest van liggen. . Ook tussen 1993 en 1998 viel het echt wel mee, als we ten minste een onverdachte bron als mevrouw Onkelinx mogen geloven ( cfr supra haar klacht over het geringe aantal veroordelingen).
Racistische individuen waren kennelijk veel minder talrijk dan bijvoorbeeld handtassendieven of inbrekers. En van de enkele gevallen die door de rechtbanken werden beteugeld kan men onmogelijk beweren dat ze de openbare orde of veiligheid zozeer aantastten dat nieuwe strafbepalingen onontbeerlijk waren geworden.
Aan wetgeving op maat bleek, althans bij de traditionele partijen, pas een behoefte te ontstaan op het ogenblik dat hun electorale belangen werden bedreigd.

POLITIEK MISDRIJF

Achteraf bekeken is het opmerkelijk hoe sommige commentatoren nog steeds met de scheiding van machten blijven schermen. Men legt een waterdicht schot aan tussen het strafrechtelijke verdict enerzijds, en de politieke en maatschappelijke oorzaken en gevolgen van dit verdict anderzijds.
Let wel, de scheiding der machten is een kostbare verworvenheid. En tot bewijs van het tegendeel moet men uitgaan van de integriteit en onafhankelijkheid van de magistratuur.
Het principe houdt echter niet in dat haar vonnissen en arresten niet organisch verweven zijn met de dagelijkse realiteit.
‘Het Vlaams Blok wordt in zijn werking en financiering door dit arrest niets in de weg gelegd’, stelt D. Voorhoof in De Juristenkrant. Het Vlaams Blok heeft een misdrijf gepleegd, en is daarvoor beboet, en verder is er niets aan de hand. Dat is de redenering van Voorhoof, lid van de Liga voor Mensenrechten. We weten dat de Justitie een blinddoek draagt, maar een professor in de communicatiewetenschappen met een blinddoek is een nieuw fenomeen.
Het directe gevolg van de veroordeling is dat de partij wel degelijk in haar werking en financiering wordt getroffen, of kan getroffen worden. Zij zag zich al genoopt tot het oprichten van het Vlaams Belang, wat een financiële aderlating betekende. Zij zal in het federale parlement worden geconfronteerd met een aanval op haar dotatie. En als het van de PS afhangt wordt er ook nog eens een wet gestemd die moet toelaten haar vertegenwoordigers van hun politieke rechten te beroven.
Indien men de veroordeling niet als een soort Fremdkörper uit haar politieke voorgeschiedenis licht, ontkomt men niet aan deze vaststelling: het proces tegen het Vlaams Blok was, zoniet de jure, in elk geval de facto een politiek proces. Dat heeft zelfs de toenmalige voorzitter van een van de dagende partijen, de Liga voor mensenrechten, Paul Pataer aan de vooravond van de dagvaarding volmondig toegegeven. Het geding was, zo verklaarde hij, aangespannen met het doel eens en voorgoed met het Vlaams Blok af te rekenen. En hebben de voorzitters van CD&V en VLD in een helder moment tijdens het televisiedebat op de avond van de wetgevende verkiezingen van mei 2003 niet verklaard dat het debat met het Vlaams Blok niet in de rechtbanken maar in het parlement moest worden gevoerd?
Om dieper te kunnen ingaan op de kwestie is het nuttig de diverse arresten onder de loep te nemen.
Aanvankelijk hebben twee Brussels rechtsinstanties, de correctionele rechtbank en het Hof van Beroep geoordeeld dat er sprake was van een politiek proces; Het arrest van het Hof van Beroep werd later weliswaar verbroken door het Hof van Cassatie, maar ligt hier al geen aanwijzing voor dat de vraag naar de politieke aard van het misdrijf een heel delicate is?
De rechters moeten zich voegen naar de definitie die het Hof van Cassatie sedert decennia hanteert, namelijk dat enkel een misdrijf dat de instellingen van de staat aantast, een politiek misdrijf is. Dat is kennelijk geen eenvoudige opdracht. Het Hof van Beroep van Brussel oordeelde dat de instellingen worden aangetast door de loutere deelname aan de verkiezingen van een politieke partij die afhankelijk is van het plegen van strafbare feiten door ondersteunende organisaties. Dajo De Prins, assistent aan de UFSIA en de KUB sloot zich bij deze zienswijze aan: ‘Minstens onrechtstreeks gaat het hier dus om de strafrechtelijke beoordeling van het programma van een politieke oppositiepartij, van haar mening over de richting waarin de maatschappij zich zou moeten ontwikkelen. Dit lijkt bij uitstek het type situatie waarin de grondwetgever alleen de volksjury geschikt achtte om een oordeel uit te spreken over de vraag of de grondwet geschonden was.’ (Nieuw Juridisch Weekblad, nummer 25 van 19 maart 2003)
Het Hof van Cassatie verbrak het arrest van het Brusselse Hof in 2003, en verwierp de thesis van het politiek misdrijf een tweede maal in haar definitief arrest van 9 november 2004. Er was, zo oordeelde het hoogste rechtscollege, geen rechtstreeks verband tussen het ten laste gelegde misdrijf zelf – het louter behoren tot het Vlaams Blok – en de eventuele aantasting van de instellingen. Met andere woorden, het zijn de vzw’s die terecht staan, en zij worden zelf niet beticht van discriminatie of segregatie, zodat niet staande kan gehouden worden dat hun vergrijp de instellingen zou aantasten.
Het is een mogelijke interpretatie, en in elk geval heeft ze gezag van gewijsde: geen rechter kan haar nog wijzigen..
Een argwanende persoon zou kunnen besluiten dat de truc met de vzw’s zijn uitwerking niet heeft gemist. In eerste instantie liet hij toe het Vlaams Blok voor de rechter te dagen. In tweede instantie wordt de opvatting dat er geen sprake is van een politiek misdrijf geschraagd op het feit dat het Vlaams Blok zelf geen partij is in het geding.
Het is hier niet de bedoeling hier alle juridische finesses en spitsvondigheden te bespreken die het debat hebben gekruid.
Het concept ‘aantasting van de staatsinstellingen’ biedt wel een steunpunt waarvan men kan uitgaan om het proces in feite kan omschrijven. En wel door de rollen om te keren, en vast te stellen dat het in feite de klagers zijn die met hun aanklacht de staatsinstellingen dreigen aan te tasten. Zij slepen een politieke partij voor de rechter met het uitgesproken doel haar te vernietigen. De aantijgingen zijn gesteund op de politieke propaganda die deze partij voert en de wetsvoorstellen die zij indient. Zij ontplooit deze activiteiten omdat de kiezer, in de uitoefening van zijn politieke rechten, haar een mandaat heeft verstrekt op basis van haar programma. Het verhinderen van het uitoefenen van dat mandaat, door bijvoorbeeld de financiële drooglegging van de partij, een van de mogelijke rechtstreekse gevolgen van de veroordeling, is een aantasting van de politieke rechten van de burger, en een ontwrichting van de parlementaire democratie, aangezien het gevaar dan dreigt dat honderdduizenden kiezers niet langer in de wetgevende organen zouden vertegenwoordigd zijn.
Dit is slechts een ‘thought experiment’ dat juridisch niet toepasselijk is, maar dat mijns inziens wel aantoont dat voor de vierschaar van het gezond verstand moet blijken dat
men dit proces, dat de democratie ontregelt, nooit had mogen voeren.
Eigenaardig genoeg lijkt het Hof van Beroep van Gent niet ongevoelig te zijn geweest voor het uitgesproken politieke karakter van het geding: ‘De strafbaarstelling van leden of medewerkers van de groep of vereniging is immers van aard het verder bestaan of de verdere werking van de groep of vereniging op de helling te stellen, in de mate althans dat de groep of vereniging verder kennelijk en herhaaldelijk discriminatie of segregatie verkondigt.’ Het Vlaams Blok staat voor de keuze: zijn programma opgeven, of opnieuw vervolgd worden. Duidelijker kan niet gesteld worden dat het doel van de vervolging de bestrijding van een politieke partij is.
Het Hof verkondigt verder dat ‘(…) de aantasting van de politieke instellingen , inzonderheid de politieke rechten van de burgers in de ruime betekenis van het begrip, zich desgevallend slechts zou kunnen verwezenlijken nadat de groep of vereniging, door het inspelen op de bij bepaalde delen van de bevolking bestaande al dan niet latente gevoelens van xenofobie en een hieraan te danken overweldigende verkiezingsuitslag, haar programmapunten in werkelijkheid zou kunnen omzetten (…)’
Stel dat het Vlaams Blok bij de federale verkiezingen van 2007 in Vlaanderen dertig procent van de stemmen haalt, wat door iedereen gewis als ‘overweldigend’ zou worden ervaren. Stel dat zij in een coalitie stapt, welke regering dan een aantal van haar programmapunten realiseert, zoals het afschaffen van het migrantenstemrecht en de snel-Belgwet, of het beteugelen van de misbruiken in zake gezinshereniging, Zou zij dan de politieke instellingen aantasten, terwijl de wetsvoorstellen die zij ter zake had ingediend, en die volgens het Hof van Beroep de aantasting mogelijk maken, dat niet doen?
Een politiek proces? Wel degelijk. En niet allen in hoofde van de dagende partijen.
Het Hof van Beroep van Gent heeft niet kunnen weerstaan aan de drang om in zijn arrest enkele vooroordelen te ventileren. Een eventuele overwinning van het tot Vlaams Belang herdoopte Vlaams Blok bij een komende stembusgang wordt in het arrest geduid als het gevolg van ‘al dan niet latente gevoelens van xenofobie.’ Het Hof neemt hier simpelweg de- niet zelden als ‘sociologie’ verpakte- slogantaal over van de tegenstanders van het Vlaams Blok. Wat zijn ‘latente gevoelens van xenofobie’? Mag een rechtsorgaan zijn oordeel funderen op speculatie aangaande latente, derhalve onmerkbaar blijvende, verborgen gevoelens?
Is het overigens niet juist dat een groot aantal aanhangers van het Vlaams Blok voor deze partij kiest omdat zij de enige is die radicaal voor Vlaamse onafhankelijkheid opkomt?
Deze optie is niet ingegeven door xenofobie, maar integendeel door een sterk ontwikkeld identiteitsgevoel.

OVER DISCRIMINATIE

Drie vzw’s van het Vlaams Blok werden veroordeeld wegens inbreuk op artikel 3 van de wet van 30 juli 1981, dat degene bestraft die behoort ‘tot een groep of vereniging die kennelijk en herhaaldelijk discriminatie en segregatie bedrijft of verkondigt (…) dan wel aan zodanige groep of vereniging zijn medewerking verleent.’
Discriminatie is, zo bepaalt artikel 1 van dezelfde wet ‘elke vorm van onderscheid, uitsluiting, beperking of voorkeur, die tot doel heeft of ten gevolge of kan hebben dat de erkenning, het genot, of de uitoefening op voet van gelijkheid van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op politiek, economisch, sociaal of cultureel terrein of op andere terreinen van het maatschappelijk leven, wordt teniet gedaan, aangetast of beperkt.’
Deze definitie is zo weids dat nog nauwelijks voorzienbaar is welk gedrag wederrechtelijk is.
‘Tot gevolg kan hebben’ is een stipulatie die door de Raad van State als ongrondwettelijk werd beschouwd. De regering hield voet bij stuk, ook al stak minister van Justitie Verwilghen zijn bezorgdheid niet onder stoelen of banken: ‘Het is derhalve moeilijk verdedigbaar om de burgers een principieel verbod op te leggen waarvan de concrete inhoud niet vaststaat.’
De discriminatie ligt op de loer zodra men zich buiten de deur waagt. Onderscheid, beperking of voorkeur zijn immers schering en inslag in het dagelijks verkeer. Elke mens heeft voorkeuren, iedereen discrimineert. De sfeer van voorkeuren strekt zich concentrisch uit rondom de eigen fragiele gestalte: eerst komen het kroost en de geliefde, vervolgens de vrienden, de verwanten, collega’s en kennissen; de ideologisch gelijkgestemden en geloofsgenoten, de leden van de vereniging, club of bond waartoe men behoort, de landgenoten,; de personen met wie men een cultuur, een traditie, een taal en een geschiedenis deelt; in voorlaatste instantie de mensheid en laagst in de rangorde, de Aarde compleet met aardwormen en aardvarkens. De aanbeveling van Christus indachtig discrimineert men ten bate van zijn naaste. Men hoeft geen nationalistische diehard te zijn om de voorkeur te geven aan de mensen met wie men zich verbonden voelt.
Elke mens streeft naar welvaart, erkenning, aanzien, status en succes, voor zichzelf en voor zijn kinderen. In een dichtbevolkte wereld kan hij zijn doel slechts bereiken door middel van competitie en concurrentie. De goederen en de kansen zijn immers beperkt; meestal bereikt men zijn oogmerk slechts ten koste van anderen.
In een democratie gelden ingewikkelde regels om de belangen van individuen en groepen tegen elkaar af te wegen. Deze regels strekken er niet toe de gelijkheid in te voeren, maar de ongelijkheden enigszins te beperken en hun effect te verzachten.
Zij zijn de uitkomst van een pragmatische visie. Democratie is een kwestie van passen en meten, van puzzelen en schuiven, van kleine correcties in de marge. Het is al een Sisyphusarbeid om elke burger enigszins het uitzicht op een menswaardig bestaan te bieden. Het weren van elk onderscheid is onbegonnen werk. Indien men daarin slaagde zou de algemene stagnatie intreden. Onderscheid is immers de motor van de menselijke activiteit.
De drang om te winnen, om boven anderen uit te tronen, vertaalt zich zelfs op kinderachtige wijze in de ontelbare televisiespelletjes. Elk vakgebied heeft zijn prijzen en onderscheidingen. In elke sector van de samenleving worden rangschikkingen en tabellen van verdienste opgesteld. Dit kan overigens tot komische effecten leiden. De Morgen publiceerde in 2003 een evaluatie van de Vlaamse parlementsleden. De vertegenwoordigers van het Vlaams Blok kregen allemaal nul punten, op Annemans na, die met 0,5 punten werd bedacht.
De diversiteit van onderscheid, voorkeur, beperking en zelfs uitsluiting – staten verhinderen of beperken in principe de toegang van vreemdelingen tot hun grondgebied - is in een moderne samenleving onontkoombaar.
De drift om als een ouderwetse schoolmeester de les te spellen, en te bestraffen schijnt echter onweerstaanbaar te zijn. In 2003 had de regering alweer een nieuwe wet ter bestraffing van discriminatie ontworpen. Terwijl de wet van 1981 met zijn specifieke op het zogenaamd ras etc. toegespitste toepassingsveld bleef bestaan, werd nu ten overvloede deze racistische intentie nogmaals beteugeld, benevens het verschil in behandeling dat gebaseerd is op ‘seksuele geaardheid, de burgerlijke staat, de geboorte, het fortuin, de leeftijd, het geloof of de levensbeschouwing, de huidige en toekomstige gezondheidstoestand, een handicap of een fysieke eigenschap.’ Met al die factoren mocht men geen rekening meer houden bij het leveren van goederen en diensten aan het publiek, bij de toegang tot bezoldigde als onbezoldigde arbeid, de benoeming of bevordering van ambtenaren, de vermelding in een officieel stuk, de toegang tot activiteiten toegankelijk voor het publiek. Verboden werd eveneens elke vorm van directe of indirecte discriminatie bij ‘het verspreiden, het publiceren of het openbaar maken van een tekst, een bericht, een teken of enig andere drager van discriminerende uitlatingen’. Hier stond dus letterlijk dat degene die discrimineert er moet voor zorgen dat zijn discriminerend geschrift elke gegadigde bereikt. Niet echt taalkunstenaars, onze wetgevers. Deze absurde bepaling werd door het Arbitragehof vernietigd.
Het Vlaams Blok had nog andere bezwaren tegen de nieuwe wet.. Men vond dat in de nochtans reeds indrukwekkende litanie van misdrijven de discriminatie wegens taal en politieke overtuiging niet mocht ontbreken.
En ziet, het Arbitragehof was het daarmee eens. Het oordeelde dat deze wet zelf …discrimineerde! De ingreep van dit Hof was radicaal: de hele opsomming van gronden voor discriminatie werd uit de wet geschrapt. Bleef over de definitie van discriminatie als
het hanteren van elk onderscheid dat niet berust op een ‘objectieve en redelijke grond van rechtvaardiging’
Maar wat is objectief en redelijk? Zijn niet alle keuzes en voorkeuren die wij ten opzichte van de medemens maken, de uitkomst van een aantal factoren, zoals, benevens berekening, ook intuïtie, inschattingsvermogen, empathie, die niet objectief of redelijk zijn aan te tonen? En kan men van de burger eisen dat hij elke keuze die hij in de sociale sfeer maakt, meteen ook staaft, zoals een boekhouder zijn balansen? Is het niet het recht van de burger zelf te beslissen met wie hij verbintenissen sluit?

Het is onmogelijk de antidiscriminatiewet na te leven.
Dat bewijst de overheid, die zelf discrimineert.
Nemen wij als voorbeeld het recht op huisvesting, zoals belicht door gewezen burgemeester van Antwerpen, Bob Cools, tevens oud-voorzitter van het OCMW :’Vorig jaar hebben we voor 70 procent aan allochtonen verhuurd. Hoe kan je vandaag nog een prognose maken als je aan de hele wereld verhuurt? Toenmalig minister Jaak Gabriëls (VLD) heeft in januari 2002 een circulaire uitgevaardigd die ons verplicht om ook mensen die in een asiel- of regularisatieprocedure zitten een woning toe te wijzen. Sindsdien worden de maatschappijen overspoeld door mensen die in sommige gevallen zelfs een papier hebben dat ze niet op het Belgische grondgebied mogen verblijven.‘( Trends 20 mei 2004)
Cools besluit:’Het is niet socialistisch als de armen hier moeten opdraaien voor de armste van de wereld. ‘
Het is niet enkel niet socialistisch, het is gewoon discriminatie van de autochtone kansarme. Voor de circulaire van Gabriëls bestaat geen objectieve en redelijke grond
Een aantal fiscale maatregelen is discriminerend.
De burger die netjes zijn belastingformulier invult, betaalt veertig procent en zelfs meer, van zijn bruto-inkomen aan de fiscus. De fraudeur die in 2004 zijn zwart geld repatrieert ontkwam met een boete van 8 procent.
Een jaar later wordt een tweede fiscale amnestie afgekondigd terwijl de kleine spaarder
belast wordt op zijn beleggingsfondsen.
Voor gelijk werk ontvangt een vrouw nog altijd gemiddeld 5 procent minder loon dan een man. In het Hof van Cassatie zetelen dertig magistraten, onder wie slechts 3 vrouwen.
De discriminatie van autochtonen ten voordele van allochtonen woedt niet enkel in de sector
van de huisvesting., maar bijvoorbeeld ook in het onderwijs.
De staat geeft voor een allochtone leerling beduidend meer uit dan voor een autochtoon. Dat is blijkbaar niet voldoende, want minister Vandenbroucke dreigde een (uiteraard financiële) sanctie op te leggen aan die scholen die een degelijk niveau betrachten, en uit dien hoofde enkel de leerlingen aanvaarden die op dat niveau kunnen functioneren.
Het ontstaan van de ‘zwarte scholen’ zou dan weer als discriminatie én segregatie van allochtonen door autochtonen kunnen getypeerd worden. De situatie vormt een …schoolvoorbeeld van de onduidelijkheid, de misverstanden en de hypocrisie die door een algemeen, ongespecificeerd verbod op discriminatie kunnen ontstaan. Hier zien we hoe autochtonen massaal een onderscheid hanteren tussen hun eigen, en de allochtone kinderen. Dit onderscheid heeft tot gevolg dat de allochtone kinderen niet dezelfde toegang hebben tot het kwaliteitsonderwijs.
Het fenomeen is simpel: in scholen door een aanzienlijk allochtonen worden bezocht, zakt het
peil van kennisverwerving. De leraren horen de moeilijkheidsgraad van hun onderricht immers af te stemmen op de zwakste leerlingen, die worstelen met een cultuur-
en taalachterstand.
De ouders van de autochtone kinderen zien de kansen van hun kroost op een interessant diploma slinken, en wensen dat hun kind liefst in aanraking komt met schoolgenoten die dezelfde waarden hanteren waarin het zelf is opgevoed. Ze sturen het naar een school met een gering aantal, of geheel zonder allochtonen. De Antwerpse senator Mimount Bousakla (SPA) die ik in november 2002 sprak naar aanleiding van de rellen in Borgerhout vertrouwde me toe: ‘Mijn eigen zuster zou haar kinderen nooit naar een concentratieschool sturen. De leraren worden daar uitgelachen in het Arabisch en in het Berbers.’
Sommige gezinnen verhuizen zelfs om in een randgemeente de juiste school te vinden.
De leider van de Nederlandse socialisten, Wouter Bos, laat er geen twijfel over bestaan dat hij het welzijn van zijn dochter primeert boven de multiculturele correctheid: ‘Ik heb het ouders nooit kwalijk genomen dat ze hun kinderen naar witte scholen sturen. Je mag het ouders niet aanrekenen dat ze het beste willen voor hun kind. Dat zal straks ook voor mij gelden.‘ En hij besluit met de waarschuwing: ‘Het is mijn meisje en daar moet de rest van de wereld afblijven.‘(Elle, oktober 2004) De Rotterdamse wethouder van Onderwijs, de christen-democraat Leonard Geluk, pleit voor meer contacten tussen allochtone en autochtone jongeren, zendt zijn dochter nochtans naar een witte school: ‘ Je denkt: je kind verzuipt op zo’n zwarte school.’ (HP/De Tijd, 3 december 2004)
Al deze ouders, Wouter Bos en Leonard Geluk incluis, discrimineren. Ze stemmen als het ware met hun voeten. Ze verlaten de onderwijsinstellingen, die hen niet bevallen, en zoeken hun heil elders. Zo laten ze de allochtone kinderen alleen achter in instituten waar het peil zakt naarmate de ‘witten’ vertrekken. De kansen van de kleine allochtonen nemen af. Het onderscheid, gemaakt door de autochtonen, wordt de allochtonen nefast. Zij blijven achter in hun ‘zwarte’ gesegregeerde school.
Maar wie zal die ouders de eerste steen werpen?
De VRT zond in 2004 een documentaire uit over een school in de Gentse volksbuurt Muide, die twintig jaar geleden homogeen ‘wit’ was. Tien jaar geleden werd ze nog uitsluitend door Turkse en Marokkaanse kinderen bezocht. Anno 2004 waren zij alweer vervangen door Tsjetjenen , Kosovaren, en andere asielzoekers. De Turkse en Marokkaanse ouders zagen geen heil meer voor hun kinderen in een school waar allengs het gros der leerlingen helemaal van nul moest beginnen.
Is de zogeheten ‘positieve’ discriminatie van allochtone werklozen gerechtvaardigd? De minister van Werkgelegenheid Renaat Landuyt vaardigde een hele waslijst van maatregelen uit. Bedrijven krijgen geld om allochtonen aan te werven. Allochtonen ontvangen 2.500€ voor extra opleiding en begeleiding.
Landuyt fungeerde zelfs als voetbalmakelaar. Op kosten van de belastingbetaler heeft hij acht allochtone zaalvoetballers uit Borgerhout een profcontract aangeboden.
In het algemeen zijn de voorwaarden voor het verweven van subsidies gunstiger voor allochtone (jeugd)verenigingen. Ze moeten minder leden tellen en minder activiteiten organiseren.
De positieve discriminatie wordt verantwoord door verwijzing naar de kansarmoede van de allochtoon. Het beleid van Landuyt en zijn collega’s is bedoeld om die situatie te verhelpen. Maar zouden zij niet moeten proberen alle kansarmoede, zonder onderscheid van zogenaamd ras, huidskleur etc. te compenseren? De cijfers van de VDAB tonen aan dat niet de allochtonen, maar de oudere werklozen en de gehandicapten de geringste kansen hebben op de arbeidsmarkt
Overigens, hoe ontstaat de kansarmoede van allochtonen? De aanhangers van de multiculturele samenleving zien hen als slachtoffers. Dat is in zeker opzicht juist: zij zijn de slachtoffers van de bewindslieden die alsmaar meer vreemdelingen tot het grondgebied hebben toegelaten zonder na te gaan of ze aan de elementaire vereisten voldeden om op enige wijze te kunnen functioneren in onze samenleving. Het kan niet de bedoeling zijn dat illegalen, al dan niet geregulariseerd, fictieve asielzoekers (negentig procent van het hele contingent), en grootmoeders en importbruiden per tijdmachine uit de Middeleeuwen naar het postmoderne tijdvak gestraald, hier in de ‘sociale hangmat’ (copyright Wouter Bos) komen hangen.
Is der kansarmoede niet deels ook het gevolg van de opvattingen over opvoeding in de schoot van het Marokkaanse gezin, waar de zonen ruime vrijheid genieten, weinig of niet gecontroleerd worden, en de school wel eens meer links laten liggen, ten gunste van boeiender activiteiten?
Een sanctie op het spijbelen zou misschien een paar zoden aan de dijk zetten.
Maar misschien zou dat volgens de politiek correcte bijbel wel discriminatie zijn. .
Integratie is een zeer geleidelijk proces. Zij wordt ondergraven wanneer de overheid geen paal en perk stelt aan de omvang en de misbruiken van de gezinshereniging, aan het fenomeen van de import bruidegoms en bruiden, en bovendien nog eens overgaat tot regularisatie van tienduizenden illegalen, per definitie onaangepaste lieden die in het beste geval hun brood verdienen als zwartwerkers, maar vaak genoeg leven van de openbare liefdadigheid, of zich aan criminaliteit overgeven.
Concluderend: wie de discriminatie wil uitroeien wordt geconfronteerd met de paradoxale taak een onderscheid ten maken tussen diverse vormen van discriminatie, de wettelijke, de ‘positieve’, de gedoogde, de maatschappelijk aanvaarde, en de onvermijdelijke. En de discriminatie sui generis van het Vlaams Blok.
Docent arbeidsrecht Marc De Vos over de wet tot bestraffing van discriminatie: ‘Wat wel of niet voor ‘objectief’ en ‘redelijk’ kan doorgaan, mag Joost weten. Het algemene discriminatieverbod geeft een blanco cheque aan de rechtbanken die de wet moeten toepassen. Ayatollahs van de gelijke behandeling kunnen de antidiscriminatiewet onder het mom van ‘redelijkheid’ tot fundamentalistische hoogten tillen.’ (De Standaard, 14 oktober 2004).
Uit dit alles blijkt dat het wellicht verstandig zou zijn discriminatie uit de strafwet te halen.
Van de overheid mag men immers verwachten dat zij, als zaakwaarnemer van het algemeen belang, redelijke en objectieve maatstaven hanteert. Zij hoort geen voorkeuren te koesteren, want elke burger is gelijk voor de wet.
De handelingen van de burger zelf worden altijd door voorkeuren ingegeven. Voorkeur is het mechanisme van de vrije keuze. Die keuzevrijheid is het fundament van de democratie. Van de burger eisen d
© 2005-2008 Filip De Man